Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geschied was, was de goede man meer dan gelukkig.

«U weet niet welk een groote vreugde dit alles voor mij is,» zei hij. «Maar waarom hebt gij den jongen niet dadelijk meegebracht?»

«Hij wacht buiten in het rijtuig,» antwoordde Rosa.

Zonder een enkel woord meer te zeggen vloog de oude heer zoo hard hij maar kon de kamer uit, de trappen af, en sprong in het rijtuig.

Dat was een blij weerzien! De heer Brownlow echter wist maar al te goed, dat er nog iemand was die recht had te deelen in deze algemeene vreugde, en daarom ging hij onmiddellijk weer naar binnen om mevrouw Bedwin te halen. En toen zijn oude gezelschapsdame daar zoo onbewegelijk stond op den drempel der deur om verdere bevelen af te wachten, zei de heer Brownlow een weinig knorrig:

«Maar lieve Bedwin, het schijnt wel dat je oogen iederen dag minder worden en dat je bijna niets meer zien kan.»

«Dat is ook zoo,» antwoordde zij dadelijk toestemmend; «op mijn leeftijd worden de oogen ook niet meer beter, wel minder.»

«Dat zoudt ge dan van mij ook kunnen zeggen!» zei de heei Brownlow, «maar zet nu eens gauw je bril op en probeer nu eens of je ook kunt uitvinden, waarom ik je nu eigenlijk hier geroepen heb.»

De oude dame zocht en zocht in haar zak naar haar bril, tot Olivier's geduld ten einde was en hij het niet langer meer uithouden kon. Toen sprong hij plotseling uit het rijtuig en sloeg zijn armen om haar heen.

«De Hemel beware mij!» riep mevrouw Bedwin hem omhelzend uit. «Mijn kleine, lieve, onschuldige jongen, ben jij daar!»

Sluiten