Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenige heeren nog in een afzonderlijk gehoor genomen.

«"Waarlijk, Jo — onder de vuile lompen, welke je arm, bevend lichaam bedekken, klopt nog een dankbaar hart! Diezelfde Jo, die volgens zijn eigene verklaring «van niets weet» weet toch, het eenige menschelijke wezen, dat ooit goed voor hem geweest is, een dankbaar hart toe te dragen, en hij vertelt aan de heeren van een kouden winternacht, waarin hij bibberend gestaan had onder een poort bij een kruispunt van twee straten. Jo is namelijk straatveger en leeft van de milddadigheid van de voorbijgangers. En toen hij daar zoo stond, had de man, die nu dood is, hem aangekeken en hem eens aangesproken. En als de man door de antwoorden van Jo, gehoord had, dat de arme jongen geen enkelen vriend bezat in de groote, wijde wereld, had hij gezegd: «Ik heb ook niemand, niemand» en toen heeft hij hem geld gegeven voor een maal eten en voor een nachtverblijf. Van dien tijd af had de vreemde man hem dikwijls aangesproken, en hem gevraagd of hij s nachts goed sliep, oi hij goed honger en kou verdragen kon, of hij graag zou willen sterven — en meer van die vreemde vragen. Had de man geen geld gehad, dan zei hij altijd in het voorbijgaan: «vandaag ben ik even arm als jij, Jo.» Maar wanneer hij maar iets bezeten had, dan gaf hij er hem met vreugde altijd iets van — de jongen was er van overtuigd, dat hij dit altijd deed.

«Hij was heel goed voor mij,» verklaarde de jongen en neegde met zijn versleten mouw de tranen uit zijn oogen. «Toen ik hem daar zoo onbewegelijk zag liggen, had ik gewild, dat ik hem nog eens zeggen kon hoe goed hij toch voor me geweest is. Zéér goed is hij altijd voor me geweest — dat zal wel waar wezen!»

Sluiten