Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De heer Snagsby, een der heeren, die Jo's droevige geschiedenis mee aanhoort, krijgt plotseling een heel eigenaardig gevoel in de keel, net of er een dikke prop in komt, en ook voelt hij tranen in zijn oogen komen. Hij is een zeer teerhartig, klein mannetje, en zou den armen stumperd zoo graag met iets troosten. Daar hij evenwel niet goed weet, hoe hij dat moet aanleggen, drukt hij Jo maar een zilverstukje in de hand en gaat dan diep geroerd zijns weegs.

Den volgenden dag wordt de overledene naar zijn laatste rustplaats gebracht, waarna het hek van de begraafplaats gesloten en dicht gegrendeld wordt. Geen enkele vriend is er dus meer, om een traan op het graf te storten — niemand, die nog een oogenblik vertoeft om te denken aan hem, die nu van de aarde is heengegaan.

De dag gaat voorbij, schemerdonker valt in en langzamerhand verschijnt er achter de vensters van de verschillende huizen in den omtrek licht. De glasvlammen, welke onafgebroken [boven aan het hek der begraafplaats flikkeren, werpen een droefgeestigen glans op een gebogen gestalte, die bij het invallen van den nacht, zich tegen het ijzeren hek vastklemt. Met een ouden, afgesleten bezem veegt de jongensgestalte de steenen trede van den toegang tot de begraafplaats schoon en veegt ook de spijlen van het hek zelf af. De jongen doet dit met de uiterste zorg, tuurt eenige oogenblikken verlangend door de roestige spijlen en verwijdert zich dan weer, enkele woorden zóó droevig voor zich heen fluisterende, dat het klinkt als een zuchten: «zéér goed is hij voor me geweest, dat zal wel waar wezen!»

Kijk, het is Jo, de goede Jo, den eenigen vriend van

Sluiten