Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«Nu», zegt de agent, «dan schijnt hij hiermede ten minste voor het eerst eens waarheid gesproken te hebben. Maar luister eens, Jo — ik weet, waar je woont, hoor; en ik moet zeggen, dat je wezenlijk geen liefelijke en ook geen welriekende buurt heb uitgezocht, hé.»

«In een betere buurt kan ik niet wonen, Meneer politieagent,» zegt Jo. «Wanneer ik in een mooie buurt, die heelemaal niet vies rook woonde, zouden ze me er uitzetten; wie zou aan een armen schooier als ik een kamertje verhuren in een mooie, nette straat?»

«Je bent dan zeker wel héél arm, niet waar?» vroeg de agent.

«O, ja, Meneer politieagent, dat weet God alleen —ja, wel héél arm in alle mogelijke opzichten,» was het indroevig antwoord.

«Nu, wilt U dan maar zelf oordeelen, Meneer Snagsby,» zegt de agent, terwijl hij hem twee geldstukken vertoont. «Deze beide zilverstukken zijn voor den dag gekomen, toen ik de hand op den jongen legde.»

«Dat is het overschot, Meneer Sangsby,» zegt Jo verontschuldigend (hij kan den naam van zijn weldoener maar niet goed uitspreken), van een goudstukje, dat een dame mij gegeven heeft!»

De politie-beambte ziet hem met onbeschrijfelijke verachting van ter zijde aan: «mijn beste jongen», zegt hij hoonend, «je denkt toch niet, dat er wezenlijk menschen zijn, die dat sprookje van «de Dame en het goudstukje» voor waar zullen houden?»

«Het is toch heusch, echt waar, meneer politieagent,» zegt Jo, «ik denk heelemaal niets, maar ik weet toch zelf best, dat dit de zuivere waarheid is.»

Sluiten