Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en hem niet, dan na lang overreden, een handje wilde geven.

Iedereen aan boord wist dit en niemand kon het zich van den ouden man begrijpen.

Over het geheel genomen had de «Gouden Maria» mooi weer en gunstigen wind. Doch na een vaart van zestig dagen stiet het schip onverwacht op een ontzettende massa drijfijs. En toen Lucie's moeder op een dag naast den kapitein op het dek stond en aandachtig keek naar die machtige ijsbergen, die zich aan alle kanten van het schip ophoopten, werd ze angstig en vroeg:

«Och, kapitein, vindt u het ook niet, dat het er uitziet alsof de geheele wereld in ijs veranderd is en nu in stukken breken zal?»

Maar kapitein Ravender lachte eens en trachtte haar gerust te stellen, hoewel hij Voor zich het gevaarlijke van het drijfijs maar al te goed kende.

Acht nachten achtereen week hij dan ook niet van zijn post op het dek en gunde zich zelfs op den dag maar zeer weinig slaap, zoodat hij ten laatste zoo uitgeput was van vermoeidheid, dat de eerste stuurman hem letterlijk smeekte toch naar zijn hut te gaan, en wat rust te nemen.

Hij sliep — zooals de zeelui dat noemen «staande», dat wil zeggen, dat hij er niet aan dacht zelfs zijn jas uit te trekken, en alleen maar zijn schoenen uittrok, omdat zijn voeten zoo gezwollen waren. Nauwelijks echter was hij ingeslapen of hij begon te droomen, dat hij in zijn geboortestadje was, en trachtte daar de oude kerk weer te herkennen, die in den laatsten tijd van buiten zoozeer veranderd was en die op zeer eigenaardige wijze midden door den toren een spleet gekregen had.

Sluiten