Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een oogenblik staarde de heer Mell wezenloos op zijn lessenaar; zijn gezicht verborgen in zijn handen.

«Meneer Mell», zei Creable hem aan de mouw trekkend, «ge hebt, hoop ik, u zelf toch niet vergeten?»

«Neen, Meneer de Directeur, — neen!» antwoordde de leeraar opkijkend, terwijl hij in heftige ontroering met het hoofd ontkennend knikte en zich de handen wreef. «Neen Meneer de Directeur, volstrekt niet! Ik heb mijzelf steeds bezeten. Ik — neen, Meneer Creable, ik heb mezelf niet vergeten! Ik — ik ben integendeel zeer kalm! Ik — wilde, Meneer de Directeur, dat U mij wat vroeger had herinnerd aan mezelf! Dat — dat — dat zou beter van u geweest zijn _ rechtvaardiger en eerlijker — Het zou mij veel leed dan bespaard hebben, Meneer Creable!» De heer Creable zag zijn onderwijzer doorborend aan, legde de hand op Tungay's schouder, klom boven op de naastbijzijnde bank en ging bovenop den lessenaar staan. Nog eens weer zag hij, ditmaal van zijn hoogen troon, den heer Mell met een doordringenden blik aan, die nog altijd in de hevigste ontroering met het hoofd schudde en zich de handen wreef. Hierna zag hij op Steerforth neer en zei:» «Zeg Steerforth, vertel jij me eens, wat er hier nu eigenlijk gebeurd is, want uit hem kan ik op het oogenblik blijkbaar geen woord krijgen.»

Een oogenblik ontweek Steerforth het antwoord op deze vraag, zag vol woede en minachting op zijn tegenstander neer en bleef in stilzwijgen volharden. Met zijn fijn besneden gelaat en mooi figuur vormde hij een opvallende tegenstelling met het ietwat leelijk en boersch voorkomen van den leeraar.

«Wat meent hij er eigenlijk mee, dat ik hier in huis zou worden voorgetrokken?» vroeg Steerforth ten laatste.

Sluiten