Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«Kalm, mijn jongen,» vermaande Nicolaas «Ja, weg!»

«Wilt U weg?» herhaalde Smike met een diep ernstig gezicht.

«Ik — ik weet het nog niet,» zei Nicolaas ontwijkend — «ik spreek eigenlijk meer tot mezelf, dan tot jou.»

«Toe, zegt U het mij!» smeekte Smike. «0, zeg het me toch, wilt U weg — wezenlijk, echt weg?»

«Ik zal wel moeten gaan,« antwoordde Nicolaas, «en — de geheele wereld staat toch ook eigenlijk voor me open!»

«Vertelt U mij eens,» vroeg Smike dringend, «is de heele wereld zoo slecht en zoo vol lijden, als hier in huis?»

«Dat verhoede God,» antwoordde Nicolaas, die blijkbaar nu geheel in gedachten sprak. «De grootste, vreeselijkste moeielijkheden en plagen zijn gelukkig in vergelijking met dat, wat hier voorvalt.»

«En kan ik U daar dan nog eens zien?» vroeg de jongen hartstochtelijk.

«Zeker,» antwoordde de ander, om hem genoegen te doen.

«Ja, niet waar?» vroeg Smike, zijn hand omklemmend, «daar kan ik U nog eens zien? — 0, toe, zeg het mij nog eens heel, heel duidelijk! Zeg me toch, dat ik U stellig en zeker zal weerzien.»

«Stellig en zeker!» antwoordde Nicolaas, «en ik zal je helpen en voor je zorgen, en je geen meerder en nieuw leed aanbrengen, zooals ik dat hier gedaan heb.»

Buiten zichzelf van geluk pakte de jongen beide handen van zijn onderwijzer, klemde zich tegen hem aan en stootte eenige onverstaanbare klanken uit.

Op hetzelfde oogenblik kwam Squeers de kamer binnen — en kroop Smike plotseling in een hoek. Den volgenden morgen werd hij gemist. Men zocht naar hem door het

Sluiten