Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Opeens was het den Engelschman of er een dikke prop in zijn keel kwam. Hij had ook een dochter, die hij lang, lang geleden precies zoo op zijn hoofd rondgedragen had, zoodat zij het uitkraaide van pret. Hij schraapte zich de keel eens, slikte even, schraapte nog eens, en bromde in zich zelf, dat de korporaal een mallen vent was, en probeerde toen, niet meer aan hem te denken. Maar dit voornemen bleek ten eenenmale onuitvoerbaar te zijn, daar hij hem nu letterlijk overal onder de oogen kreeg. De heer Engelschman behoefde slechts uit het raam te kijken, om den korporaal met Bebelle te zien spelen. Ging hij wandelen, dan kwam hij den korporaal met Bebelle tegen, die eveneens een wandeling was gaan maken. Wanneer hij dan weer naar huis terug ging, zag hij, den weg omslaand, opeens den korporaal met Bebelle een paar passen voor zich uit loopen, eveneens op hun terugtocht. Keek hij 's morgens vroeg uit zijn raam van de achterkamer, dan stond de korporaal weer juist op de binnenplaats van de barbierswoning, bezig Bebelle te wasschen en aan te kleeden. En nam hij dan even later de vlucht naar zijn voorkamer, dan zag hij den korporaal precies op hetzelfde oogenblik met Bebelle buiten komen om vóór het huis zittend te ontbijten. Waar hij ging en waar hij stond — overal was de korporaal met Bebelle! Nergens de korporaal zonder Bebelle; nergens Bebelle zonder den korporaal!

Op zekeren dag, terwijl de heer Engelschman op zijn morgenwandeling was, kwam hij beiden weer tegen. Met een verlegen gezicht, tikte hij even aan zijn hoed.

«Goeden dag, Monsieur,» zei de korporaal den groet beantwoordend.

«Wat een lief kindje, hebt U daarbij U,» zei de Engelsch-

Sluiten