Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mevrouw Lirriper behoefde nooit berouw te hebben van haar goede daad. Volgens haar meening bestond er op de heele wereld niet zoo'n lief kind als Jemmy, geen dat zooveel zonneschijn in huis bracht, dat zijn Grootmoeder zooveel geluk aanbracht, dat altijd zoo aardig en vroolijk was, dat zoo alles deed wat men hem vroeg, in één woord, een toonbeeld van gehoorzaamheid. Hij was tegen alle menschen vriendelijk, uitgenomen echter tegen Juffrouw Wozenham, en heel dikwijls was hij dan zoo ondeugend, zijn pet in haar keldergat te gooien. Natuurlijk wilde Juffrouw Wozenham er de pet dan niet uithalen, waarop Jemmy dan huilend naar huis liep om Grootmoeder te vertellen, dat Wozenham zijn pet niet wilde geven, die «bij ongeluk» in het keldergat gevallen was. Innig verontwaardigd zette Mevrouw Lirriper dan haar besten hoed op, trok haar mooie handschoenen aan, haalde haar parasol te voorschijn, nam Jemmy bij de hand, en maakte aldus toegerust plechtstatig haar opwachting bij haar buurvrouw.

«Ik had wezenlijk niet kunnen droomen», begon zij dan. «ooit een voet over uw drempel te zetten, Juffrouw Wozenham, maar ik wilde U bij deze zeggen, dat wanneer mijn kleinzoon niet onmiddellijk zijn pet terug krijgt, ik de hulp zal inroepen der politie — het koste wat het wil.»

Met een verachtelijk neusoptrekken belde Juffrouw Wozenham direct haar dienstmeisje.

«Jeannet», zei ze, toen deze verscheen, «heb je ook een oude straatjongenspet in het keldergat zien liggen?»

Doch voor dat Jeannet nog kon antwoorden, had Mevrouw Lirriper den haar toegeworpen handschoen reeds opgenomen.

«Mejuffrouw Wozenham!» riep ze met een vuurrood gezicht en van louter woede naar woorden hijgend uit,.

Sluiten