Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«Mejuffrouw Wozenham, voordat uw dienstmeisje uwe vraag beantwoordt, verzoek ik U haar wel te willen doen begrijpen, dat mijn kleinzoon volstrekt geen straatjongen is en ook nog nooit in zijn leven een oude pet gedragen heeft, en ik ben er voor me zelf ook lang niet zeker van, of deze pet van mijn kleinzoon niet veel nieuwer is dan uw muts.»

Aangezien nu de muts, die Juffrouw Wozenham droeg, inderdaad een hoogst bouwvallig exemplaar was, was deze steek onder water verpletterend raak. De uitwerking ervan voldeed dan ook aan alle regelen van de kunst; Juffrouw Wozenham werd plotseling rood tot achter haar ooren, en terwijl zij haar hoofd met een trotsch gebaar in den nek wierp, antwoordde zij: «gij hebt mijn vraag gehoord, niet waar Jeannet? Ligt er werkelijk in het keldergat een jongenspet?»

«Ja, wel Juffrouw,» antwoordde Jeannet, die in zichzelf innige pret had over de woordenwisseling dier beiden, «ik meen wel, dat ik zoo iets onderin heb zien liggen.»

«Welnu, wees dan zoo goed deze bezoekers weer uit te laten,» beval Juffrouw Wozenham, «en verwijder ten spoedigste dat vieze vod van mijn grondgebied.»

Kleine Jemmy had gedurende al dien tijd Juffrouw Wozenham onafgebroken onbewegelijk aangestaard. Doch nu trok hij de smalle wenkbrauwen op, fronsde het kleine voorhoofdje, perste de lippen boos op elkaar, zette de kromme beentjes wijd uiteen en begon de kleine dikke vuistjes als een koffiemolen strijdlustig om en om te rollen.»

«Wat, wou jij brutaal zijn tegen Grootmama!» dreigde hij trots. «Dan zal ik met je boksen, hoor!»

Juffrouw Wozenham grijnsde vol van de diepste minachting.

II 10

Sluiten