Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en meest geziene van de Duitsche vorsten. Door zijn toedoen werd ook Thuringen, toen hertog Burkard aldaar stierf, bij Saksen gevoegd. Oito (in 912 overleden) klom in aanzien onder de koningen Lodewijk het Kind en Koenraad I. Zijn zoon Hendrik werd in 919 als eerste uit den Saksischen stam tot Duitsch koning gekozen. Het hertogdom behield Hendrik I voor zich. Zijn zoon Otlo de Groote, die zijn vader als Duitsche koning opvolgde, stond het omstreeks 960 af aan den dapperen Hermann Billung, aan wiens stam het tot 1160 bleef. Aan hem waren in oorlogstijd de markgraafschappen onderworpen, welke door Hendrik 1 en Otio I tegen de slaven waren gesticht. De Saksen stonden reeds in 1067 op tegen keizer Hendrik IV, nog meer algemeen in 1073, onder leiding van graaf Otto von Nordheim en van den Saksischen hertog Magnus, de laatste uit het geslacht van Billung. In 1077 brak opnieuw een opstand uit. Magnus (in 1106 overleden) werd in het hertogdom opgevolgd door Lotharius, graaf van Supplinburg. Hij verkreeg in 1113 door zijn huwelijk met Richenza, de dochter van Hendrik den Vette, den zoon van Otb) von Nordheim, Brunswijk en het Nordheimsche gebied en werd in 1125 tot Duitsch koning gekozen. Het hertogdom Saksen stond hij in 1127 aan zijn schoonzoon Hendrik den Trotsche van Beieren af, die reeds van zijn moeder Wulfhild goederen in Saksen (Luneburg) bezat. Onder zijn regeering had de vestiging van de Schauenburgsche dynastie in het graafschap Holstein en de hernieuwing van de Wettinsche in het markgraafschap Meiszen plaats; in Thuringen werd in 1130 Lodewijk I landgraaf,; de Askanische Albrecht de Beer ontving in 1134 de Nordmark. Koenraad III gaf dezen het hertogdom Saksen, nadat hij Hendrik den Trotsche in 1138 had afgezet, gaf het echter spoedig aan den zoon van dezen laatste Hendrik den Leeuw, terug. Albrecht werd daardoor schadeloos gesteld, dat de Nordmark en een deel van de Ostmark als markgraafschap Brandenburg onafhankelijk werden verklaard. Hendrik de Leeuw, sedert 1156 ook hertog van Beieren, breidde zijn gebied door zijn overwinningen op de slaven aan de Oostzee tot de Oder uit en vergrootte de hertogelijke macht over de Saksische grootèn. Zijn val in 1180 leidde tot de oplossing van het hertogdom Saksen, doordat de geestelijke en wereldlijke grooten zelfstandig werden. Keulen verkreeg met den titel: hertogdom Westfalen eenige hertogelijke rechten in Z. Westfalen. De naam en de waardigheid van hertog van Saksen ging over op Bernhard, graaf van Askanië, die bij zijn geërfd land om Wittenberg nog Lauenburg verkreeg. Van zijn kleinzoons ontving Johann in 1260 SaksenLauenburg en Albrecht Saksen-Wittenberg met de waardigheid van keurvorst. De stamgoederen der Welf en werden in 1235 tot een hertogdom Brunswijk vereenigd (Voor de verdere geschiedenis zie het koninkrijk Saksen.).

Saksen (zie de kaart), een Duitsch koninkrijk, naar zijn bevolking de derde en naar zijn oppervlakte de vijfde staat van het Duitsche Rijk, ligt tusschen 60°10' en 51°29' N.Br. en tusschen 11°53' en 15°4' O.L. v. Gr. en vormt, met uitzondering der kleine gedeelten Ziegelheim en Liebschwitz en Taubenpreskeln, een gesloten geheel, dat in het O. en N. grenst aan de Pruisische provincies Silezië en Saksen, in het W. aan de provincie Saksen, Saksen-Altenburg, Saksen-Weimar en Reusz, in het Z.W. aan

Beieren en Bohemen en in het Z. en Z.O. aan Bohemen. De geheele grenslijn heeft een lengte van 1 226 km. De grootste lengte (van het W. naar het O.) bedraagt 210, de grootste breedte 150 k.m.

Bodemgesteldheid. De bodem behoort nagenoeg geheel tot het Middel-Duitsche berg- en heuvelland en bestaat alleen langs de Pruisische grenzen uit een gedeelte van de Noord-Duitsche laagvlakte. Het land is door de Elbe in 2 zeer ongelijke deelen gesplitst. Ten O. van die rivier vindt men de N.W. toppen der Sudeten en in het Z.O. een gedeelte van het Saksisch-Boheemsche zandsteengebergte met de phonolietkoepels van den Lausche (796 m.) en van den Hochwald (749 m.). Vanhier loopt langs de Boheemsche grenzen het Lausitzer gebergte, met kegels ter hoogte van bijna 600 m. Naar het N. gaat het langzamerhand over in de laagvlakte. Naar de W. zijde bezit dit vlakke gebied een steilen rand, die naar het dal der Elbe afdaalt. Boven Meiszen verrijst het Spaargebergte, en aan beide zijden der Elbe, van Tetschen tot Pirna, het Elbe-Zandsteengebergte of Saksisch Zwitserland, een hoogvlakte, 325 m. hoog. Het bezit talrijke nauwe kloven, zonderlinge rotsgevaarten en tafelvormige bergen, zooals den Lilienstein (419 m.) op den rechter en den Königstein (360 m.), den Groszen en Kleinen Zschirnstein (561 en 480 m.) en den Papststein (452 m.) op den linker oever der rivier. Het hoogste gedeelte van dit gebied, is de Groote Winterberg (551 m.) op den rechter oever. Op het gebied ten W. van de Elbe verheft zich het Ertsgebergte over een lengte van 151 km., van de bronnen der Gottleuba tot aan die der Zwickauer Mulde en der Zwota. De kam van het gebergte, is een eentonige, breede, moerassige, met bosch begroeide hoogvlakte, 700—850 m. hoog, zoodat de Fichtelberg (1204 m.) er boven uitsteekt. De voornaamste hoogten liggen op Boheemsch gebied; op de Saksische N. helling verheffen zich: de Barenstein (898 m.) de Auersberg (1019 m.), de groote Rammelsberg (957 m.), de Schneckenstein (890 m.) enz. Ongeveer ten W. van Frankenberg sluit zich het Erzgebirgisch Becken aan (300—400 m.) met het Zurickauer en Lugau—Olsnitzer steenkolenbekken; daarop volgt het Saksische Mittelgebergte of het Granulietgebergte (300 m.) Ten N.W. daarvan ligt het Erzgebirgische heuvelland. In de laagvlakte verheffen zich verschillende heuvelgroepen.

Geologie. Aan de samenstelling van den bodem nemen zeer verschillende formaties deel. Als oudste gesteenten gelden de gneis, glimmerlei en phylliet van het Ertsgebergte. De oudste sedimenten behooren tot de Cambrische formatie (in het Granulietgebergte, op de Z.W. helling van het Ertsgebergte en in het Vogtland). Zij gaan zonder scherpe grens in de azoïsche phyllieten en in silurische-lagen (Vogtland, omgeving van het Granulietgebergte en in het O. van het Ertsgebergte) over. Bij het siluur sluiten zich devonische lagen (vooral bij Plauen in het Vogtland) aan, terwijl ook het benedencarboon groote vlakten beslaat. Op het einde van den devontijd ontstond het granuliet met zijn begeleiders en na den tijd van het benedencarboon ontstonden groote massa's graniet en syeniet met de begeleidende ganggesteenten. Tevens ontstond het Erzgebirgische Bekken. Hierin verschenen de sedimenten van het bovencarboon (met steenkolen) en van het roodliggend, dat ook op andere plaatsen optreedt. In dezen tijd werden porfyriet en melafyr en vooral kwarts-

Sluiten