Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Johan Frederilc den Grootmoedige stonden de jongere zoons, volgens het testament van hun vader, dat geen verdeeling toeliet, de regeering af aan den oudsten, Johan Frederik II. Toen deze echter overleed (1565). verdeelden Johan Willem en Johan Frederik III het gebied zoo, dat de tweede het Weimarsche, de eerste het Koburgsche gedeelte ontving. Nadat Johan Frederik in 1567 in den rijksban gedaan was, kwamen de Ernestijnsche landen onder het beheer van Johan Willem, nadat keurvorst August zich van verschillende gedeelten had meester gemaakt, doch deze moest reeds in 1572 het land van Koburg weder afstaan aan zijn twee neven, die nu de stichters werden der lijnen Koburg en Eisenaeh, welke echter met hun dood reeds uitstierven. De beide zonen van Johan Willem (overleden in 1673) verdeelden het land niet, maar toen in 1602 de oudste van hen gestorven was, had er een deeling plaats tusschen diens zonen en hun oom, zoodat het Huis Weimar nu gesplitst werd in de lijnen Altenburg en Nieuw-Weimar, waarvan de eerste met den dood van den jongsten zoon van Frederik Willem II, Frederik Willem 111, in 1672 reeds uitstierf. Hertog Johan van Weimar, de stamvader der tegenwoordige Ernestijnsche lijn, liet bij zijn zoon (1605) acht zonen na, waarvan de zesde, Bernhard, de held werd van den Dertigjarigen Oorlog, Willem de Weimarsche lijn voortplantte en Ernst de Vrome de lijn Gotha stichtte; Willem en Ernst verdeelden in 1641 het gebied, dat door het uitsterven van de lijnen Koburg en Eisenaeh grooter was geworden. In 1662 had weer een verdeeling plaats in de lijnen Weimar, Eisenaeh en Jena, doch de goederen van laatstgenoemde twee keerden in 1690 en 1751 tot het stamhuis Weimar terog, waarin reeds in 1719 het recht van opvolging bij eerstgeboorte was vastgesteld. — De stichter der lijn Gotha, Ernst de Vrome, zag na het uitsterven der lijn Altenburg (1672) zijn gebied vergroot, en na zijn dood (1675) stichtten zijn zonen 7 lijnen, n.1. Gotha, gesticht door Frederik 1, Koburg , door Albrecht, Meiningen door Bernhard, Römhild door Hendrik, Eisenberg door Christiaan, Hildburghausen door Ernst, en Saalfeld door Johan Ernst. In de jaren 1699—1710 stierven de lijnen Koburg, Eisenaeh en Römhild uit, maar de boedelscheiding had eerst in 1735 door tusschenkomst des keizers plaats. De vier overblijvende lijnen, door erfenis verrijkt, droegen van nu af de namen: Gotha, Meiningen, Hildburghausen en Koburg-Saalfeld. Het eerstgeboorterecht, dat intusschen was ingevoerd, verhinderde verdere versnippering. In 1825 stierf de lijn Gotha uit, en verdeelden de overige 3 onderling haar gebied, zoodat zij zich nu noemden: hertog van Saksen-Altenburg, van Saksen-Koburg-Gotha en van Saksen-Meiningm-Hildburghausen. In 1844 aanvaardden de Ernestijnsche hertogen het praedicaat „Hoogheid". Gemeenschappelijk bezitten de hertogdommen de Ernestijnsche huisorde, de universiteit te Jena en het Hoogste Hof van Appel. De Ernestijnsche landen tellen op een oppervlakte van 9386 v. km. met een bevolking van (1905) 1105 951 zielen.

Saksen, het -paltsgraafschap, bestond uit een aantal koninklijke goederen, hoofdzakelijk in den omtrek van den Kyffhauser gelegen en onder het opzicht van den paltsgraaf geplaatst. De eerste paltsgraaf was Adaïbert of Berno (overleden in 982). Op hem volgden een aantal paltsgraven, totdat dit gebied door de Saksische Gouden Bul van 27

December 1356 aan het hertogdom Saksen werd toegevoegd.

Saksen, een Pruisische provincie (zie de kaart bij het koninkrijk Saksen), grenst in het N. aan Hannover en Brandenburg, in het O. aan Brandenburg en Silezië, in het Z. aan het koninkrijk Saksen en de staten van Thuringen en in het W. aan HessenNassau, Hannover en Bronswijk. Schleusingen in het Thuringer Woud en Siegenruck aan den bovenloop der Saaie zijn enclaves van die provincie, terwijl deze exclaves bevat, behoorende tot de staten van Thuringen en tot Bronswijk. Ook is door het hertogdom Anhalt het district Maagdenburg bijna geheel gescheiden van het overige gedeelte van die provincie. Deze bestaat uit het op den rechter oever der Elbe gelegen gedeelte van het vroegere hertogdom Maagdenburg, eenige gedeelten, in 1815 door het koninkrijk Saksen afgestaan, en eindelijk uit in 1815 weder in bezit genomen landen in Neder- en OpperSaksen. De provincie Saksen heeft een oppervlakte van 25 258 v. km.

De grootste helft behoort tot de N. Duitsche laagvlakte, waar heuvelstreken,venen en vruchtbare landen met elkander afwisselen. Tot de bergstreek behooren onderscheiden toppen van den Harz, waarvan de Broeken een hoogte heeft van 1142 m. Ook op de terraslan den van Thuringen verheffen zich bergen van 500 tot 600 m., en in hetdistriktSchleusingen verrijst de Finsterberg ter hoogte van 946 m.De voornaamste rivier der provincie is de Elbe,welke hier vele zijrivieren opneemt.Daarvan noemen wij: de Zwarte Elster, de Havel, de Mulde, de Saaie, de Ohre en de Tanger. Naar den Wezer stroomen o.a. de Werra, de Leine en de Aller. Van de kanalen is het Plauensche Kanaal, tusschen de Elbe en de Havel, het belangrijkst. Het klimaat is er het zachtst aan de Saaie en aan de Elbe in het distrikt Merseburg, het ruwst in het gebergte. De gemiddelde jaarlijksche temperatuur is te Halle 8,95° C. en op den Broeken 3,83° C., en de jaarlijksche hoeveelheid regen in den Harz 1200—1670, aan de Elbe en de Saaie 400—500 en op den Eichsfeld 400—600 mm.

De provincie telt (1905) 2 979 221 zielen. De oppervlakte bestaat (1900) uit: 60,6% bouwland, 11)1% weiland en21,l% bosch. Behalve in de distrikten ten O. van de Elbe, aan de Mulde en in de Altmark, waar men zandgrond aantreft, en behalve de hoogere gedeelten der bergstreek heeft men er zeer vruchtbare landen, vooral tusschen Maagdenburg en de Saaie. Hier worden vooral beetwortelen geteeld. Voorts verbouwt men er veel graan, groenten en bloemen (vooral bij Quedlinburg en Erfurt), hop, cichorei, wijn (aan de Saaie bij Naumburg), tabak, vlas, oliegewassen, enz. Uitgestrekte bosschen vindt men in den Harz, in het Thuringer Woud, aan de Mulde en ten O. van de Elbe. In 1906 had men er 219 333 paarden, 817|391 runderen, 693649 schapen, 1 562 610 varkens en (1904) 281 29 geiten. Voor de bevordering van de paardenteelt bestaan stoeterijen te Graditz bij Torgau en te Kreusz-Kröllwitz bij Halle. De runderteelt bloeit; de schapen hebben meest grove wol. In de grootere bosschen bevindt zich veel wild.

De mijnbouw leverde in 1905 : 20 250 184 ton bruinkolen ter waarde van 29 millioen gld., 327 570 ton steenzout ter waarde van 0,8 millioen gld., 1 006 741 ton kaïniet ter waarde van 8 millioen gld., 1123 742 ton andere kaliumzouten ter waarde van

Sluiten