Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Say (Sa, Sai), een stad in den vroeger zelfstandigen Haussastaat Gando (N.W. Afrika), aan den rechter oever van den Niger op 13°5' N.Br. gelegen, bestaat uit onderscheiden vlekken. Behalve het huis van den gouverneur bestaat het slechts uit hutten. Het telt ongeveer 8 000 inwoners. De plaats ligt aan den karavaanweg tusschen Gando en Sokoto en naar Timboektoe en Mossi Gando. Het behoort met het W. gedeelte tot Fransch-Dahomé, met het O. gedeelte tot N. Nigeria. In 1806 werd Say door Mungo Park, in 1853 en 1854 door Barth en in 1880 door Flegel bezocht.

Say, Jean Baptiste, een Fransch staathuishoudkundige, geboren te Lyon den 5den Januari 1767, begaf zich bij den aanvang der Groote Revolutie naar Parijs, werd door Mirabeau bij de redactie van den „Courrier de Provence" geplaatst en zag zich in 1792 tot secretaris van Clavière, minister van Financiën, benoemd. Na den 18den Brumaire werd hij lid van het Tribunaal, maar als tegenstander van Napoleon weldra uit dit lichaam verwijderd. Na de eerste Restauratie nam hij zitting in de Academie van Wetenschappen, in 1819 werd hij hoogleeraar aan het conservatoire des arts et métiers en in 1830 aan het collége de France. Hij overleed den 15a<!n November 1832. Zij belangrijkste geschriften zijn: „Traité d'économie politique"(1803,8ste druk, 1876), „Catéchisme d'économie politique"(1815, 6de druk, 1881) en „Cours complet d'économie politique pratique"(6 dln., 1829; 3de druk, 2 dln., 1852). Zijn „Mélanges et correspondance d'économie politique" (1833) werden na zijn dood door zijn schoonzoon Charles Comte in het licht gegeven. Say heeft de leer van Adam Smith in Frankrijk bekend gemaakt.

Say, Léon, een Fransch staatsman, een kleinzoon van den voorgaande, geboren te Parijs den 6den Juni 1826, kreeg door den dood van zijn schoonvader Bertin een belangrijken invloed op het „Journal des Débats", was geruimen tijd directeur van den Noorderspoorweg en medewerker aan verschillende staathuishoudkundige bladen, waarin hij het financieel bestuur van het Keizerrijk bestreed, zag zich in Februari 1871 gekozen tot lid van de Nationale Vergadering, waar hij tot het linker centrum behoorde, werd den 5den Juni van dat jaar benoemd tot prefect van het Seinedepartement, om de geldzaken van Parijs te regelen, was van December 1872 tot Mei 1873, van Maart 1875 tot Mei 1877 en van December 1877 tot 1879 minister van Financiën en werd in 1880 voorzitter van den Senaat. In 1882 werd hij nogmaals minister van Financiën, na zijn aftreden werd hij niet tot voorzitter van den Senaat herkozen. In 1889 en in 1893 werd hij lid van de Kamer van Afgevaardigden. Hij werd in 1886 lid van de Académie en overleed den 30sten April 1896. Van zijn werken noemen wij: „Histoire de la caisse d'escompte" (1848), „Les finances de la France"(1883), „Les solutions démocratiques de la question des impöts" (2 dln., 1886); ,,Turgot"(1887), ,,Cobden"(1891) en „Contre le socialisme"(1896). Met Foyot en Lanjalley gaf hij een „Dictionnaire des finances"(2 dln., 1883— 1894), met Chailley-Bert den „Nouveau dictionnaire d'économie politique"(2 dln., 1891—1892) uit. Zijn redevoeringen en kleinere geschriften werden na zijn dood ouder den titel „Les finances de la France sous la troisième république"(4 dln., 1893—1901) uitgegeven.

Sayce, Archibald Henry, een Eigelsch taalge¬

leerde, geboren den 25sten September 1846 te Stirehampton in Wales, studeerde te Oxford, werd in 1869 tot fellow aan het Queen's College aldaar en in 1876 tot hoogleeraar in de vergelijkende taalwetenschap benoemd. Hij legde later deze betrekking neer en woont gedeeltelijk in Engeland, gedeeltelijk in Egypte. Hij hield zich vooral met de studie van de spijkerschriften bezig. De eerste grammatica van de accadische spijkerschriften schreef hij in 1870 in het „Journal of Philology'Wan zijn talrijke andere werken noemen wij: „Assyrian grammar for comparative purposes"(1872), „Elementary Assyrian grammar" (1875), „Lectures on the Assyrian svllabary"(1877), „Babylonian literature"(1877), „introduction to the science of languages"(1880), „The languages of the Homeric poems"(1881), „On the inscriptions of Van"(1883), „Principles of comparative philology" (2 dln., 1880), „Introduction to the books of Ezra Nehemiah and Esther"(1885), „The Hittites"(1888), „Records of the Past, new series"(6 dln., 1889— 1892), „A primer of Assyriology"(1894), „Earlv history of the Hebrews"(1898) en „Babylonians and Assyrians, life and customs"(1900).

Sayn und Wittg-enstein, een voormalig Duitsch onmiddelbaar rijksgraafschap in Westfalen, had een uitgebreidheid van 1376 v.km. en bestond uit twee deelen, Hachenburg, thans tot Hessen-Nassau, en Altenkirchen, thans tot de Pruisische Rijnprovincie behoorende. Het aloude geslacht der graven von Sayn, wier stamburcht Sayn, in het evenzoo genoemde dorp in het arrondissement Koblenz gelegen, is, bestond reeds in 1145 en stierf uit in de mannelijke lijn in 1246, waarna het graafschap ten deel viel aan Adelheid, de zuster van den laatsten graaf en gehuwd met den graaf von Sponheim. Van de zonen uit dit huwelijk verkreeg in 1264 Hendrik het graafschap Sponheim en Godjried het graafschap Sayn. Laatstgenoemde huwde de erfgravin Jutla von Homburg, en diens zonen Johann en Engelbert werden in 1294 de stichters van twee lijnen, n.1. van een oudere lijn, die bijna het geheele graafschap Sayn, en vaneen jongere lijn,die de bezittingen Homburg en Vallendar ontving. De kleinzoon van Engelbert, Valentijn genaamd, huwde de erfgravin Adelheid von Wiltgenstein en aanvaardde nog voor zich en zijn nakomelingen den naam van Sayn en Wittgenstein. Toen in 1606 de oudere lijn uitstierf, verviel het graafschap aan de jongere. Doch in 1607 had weder een verdeeling plaats, daar graaf Lodewijk door zijn drie zonen werd opgevolgd, die evenzooveel lijnen stichtten, namelijk de eerste, Sayn-Wittgenstein-Berleburg, door George, en deze lijn splitste zich in 1694 wederom in drie lijnen, van welke de oudste, den vroegeren naam behoudend, in 1792 in den rijksvorstenstand werd opgenomen, doch de souvereiniteit in 1821 aan Pruisen afstond. Tot deze lijn behoorde prins August, geboren den 6den Maart 1788, luitenant-generaal in dienst van den hertog van Nassau, van Mei tot December 1849 rijksminister van Oorlog en in 1852 benoemd tot minister in het hertogdom Nassau. Hij was een hartstochtelijk tegenstander van Pruisen, en overleed den 6dea Januari 1874. Het tegenwoordig hoofd van deze lijn is pri-s Ilieliard (geboren in 1882). De lijn SaynWittgenstein-Karlsburg bezit slechts den graftlijken rang en is in 1851 met de lijn Lndwigsburg samengesmolten ; de derde W\n,Sayn-\\' ittgenstein-Dudv i gsburg, werd in 1834 in den vorstenstar.d opgenomen.

Sluiten