Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5 jaar later volgde Bledow te Berlijn dat voorbeeld. In 1851 werden de beste spelers uit alle oorden der wereld te Londen bijeengeroepen, om deel te nemen aan een wedstrijd, de eerste prijs viel bij deze gelegenheid ten deel aan een Duitscher, A. Andersen, die ook bij latere gelegenheden (1862 te Londen en 1870 te Baden-Baden) de overwinning behaalde. De geniale Amerikaan Morphy, die omstreeks van 1850—1860 iedereen overwon, heeft nooit aan een schaakstrijd van den eersten rang deelgenomen. Beroemde wedstrijden werden in den laatsten tijd gehouden te Monte Carlo (1901, 1902, 1903 en 1904), Cambridge Springs (1904), Ostende (1905 en 1906), Neurenberg (1906), Düsseldorf (1908), St. Petersburg (1909) en Hamburg (1910). Tot de meest beroemde schaakspelers van onzen tijd behooren Lasteer, Tarasch, Marshall, Janowski, Steinitz en Blackburn.

Schaalbijter. Zie Schallebijter.

Schaaldieren. Zie Gelede dieren.

Schaambeen. Zie Bekken.

Schaap (Ons, zie de platen) behoort, evenals het geslacht der runderachtige dieren (Bos), tot de orde der tweehoevigen, tot het geslacht der Oviden, dat in twee ondergeslachten gesplitst kan worden, n.1. Ovis (schaap) en Capra (geit).De kenmerken van Ovis zijn, behalve de gewone kenmerken der tweehoevige herkauwende dieren, het ronde voorhoofd, gestrekt aangezichtsgedeelte, kleine gespleten neusspiegel, diepe groeven onder de oogen (zoogenaamde traangroeven), die bij de geit en het Manenschaap ontbreken, de aanwezigheid van een klier onder de huid tusschen de klauwen (klauwklier), die met een opening naar buiten uitmondt.Het tandstelsel is als bij Bos, en ook de geraamtebouw levert met dit geslacht geen belangrijke verschillen op. Horens en huidbekleeding vormen voor Ovis geen algemeene geslachtseigenschappen ;immersmenkentgehoornde en ongelioornde schapen. Ook de vorm der horens is zeer verschillend. Het meest constant voor dit geslacht is de eenigszins driehoekige bouw van den hoorn op doorsnee gezien (bij geiten meer plat-ovaal) en de ringen op de uitwendige oppervlakte. Soms zijn de horens zeer eigenaardig kurketrekkervormig gewonden, soms ook treft men meer dan twee horens aan. Uitwendig valt nog de uier te noemen, die voorzien is van twee tepels. De draagtijd is aanmerkelijk korter dan bij het rund en is 21 weken; ze werpen 1—6 lammeren. Van het verschil der inwendige organen tusschen Ovis en Bos valt het meest op de nieren, die bij Bos gekwabt en bij het schaap boonvormig zijn en een gladde, effen oppervlakte hebben.

De huid is wel eens bedekt met haar, zooals bij de meeste wilde schapen, waar dat haar tevens meer de wildkleur (geel-bruin) vertoont, terwijl bij de geteelde schapen de wolharen meer en meer de overhand verkrijgen, zoodat bij sommigen alleen kop en pooten met ge wone haren bedekt zijn en bij de meeste echte wolschapen (bijv. Merino's) alleen de onderste deelen van kop en pooten. Die vorming van wolharen is niet geheel karakteristiek voor het schaap, want ook bij de andere huisdieren komt tusschen het zoogenaamde stamhaar (gewoon haar) wolhaar voor, dat dunner is, gekruld en aan de oppervlakte geschubd. Dit wolkleed ontwikkelt zich bij de dieren jn het najaar om in het voorjaar uit te vallen. Bij de regelmatige groepeering, zooals dat voor de inplanting van de haren op de huid het geval is, onder¬

scheidt men dan de hoofd- en de iyharen. Uit de bijharen vormen zich de wolharen, .die bij vele schapen op den voorgrond treden.

Ten opzichte van de wolharen bestaat nog al variatie. Zoo onderscheidt men wolharen met en zonder mergkanaal. De eerste soort wordt vertegenwoordigd door de lange, sluike wol, zooals die wordt aangetroffen bijv. bij het inlandsche Friesche schaap. Hetmerglooze wolhaar is veel fijner en dunner en wordt in de uiterste fijnheid aangetroffen bij de Merino-schapen. Sommige schapen dragen beide soorten wolharen, zooals onze inlandsche heideschapen. Hun lange neerhangende wol is merghoudend, daar tusschen, vlak op de huid, de kortere merglooze wol. Naast de plaats, waar de haren op de huid zijn ingeplant, vindt men de smeer- en zweetkliertjes, die de haren vettig en vochtig houden. Bij de schapen — en vooral bij fijne wolschapen — zijn deze klieren sterk ontwikkeld, is de wol daardoor zeer vettig geel en zijn de wolharen samengekleefd. Vocht en vuil kan door zoo'n dicht wolkleed niet de huid bereiken.

De wolvacht wordt gevormd, doordat verschillende wolharen, die allen op dezelfde wijze gekronkeld zijn, zich naast elkaar leggen en een zoogenaamd strengetje vormen. Eenige van die strengetjes vormen een stapel en uit de verschillende stapels is de vacht opgebouwd. Bij de korte, fijn gekrulde wol zijn de stapels overal even dik (evenwijdig), terwijl bij de minder gekrulde wol de stapels spits toeloopen. De verschillende stapels zitten min of meer aan elkaar verbonden, door de binders of bindbaren. Komen deze binders veel voor, dan is de vacht gesloten en blijft de wol — ook bij het buigen van de lichaamsdeelen -— (bijv. hals en rug) toch nog aaneen. Het optreden van deze binders vormt een raseigenschap, welke eigenschap op haar beurt weer in verband staat met de geschiktheid van het schaap voor verschillend klimaat. Bijv. in ons land, met veel regen- en sneeuwval, moeten we 't meest zoeken naar schapen met een gesloten wolvacht, opdat bij het grazen (buigen van het lichaam) geen water of sneeuw tusschen de gedeelten van de vacht dringt en op de huid komt. Bij gesloten vachten en bij lange wol loopt het water van de wol af en blijft de huid droog. De teelt van kortwollige Merino- en Southdownschapen (met open vacht) is daarom voor ons land niet aangewezen, wel die van onze inlandsche schapen en de meer langwollige Engelsche schapen.

De systimatesche onderscheiding tusschen de geslachten Ovis en Capra is zeer lastig, evenals die tusschen Bos en Ovis. Immers als overgangsvorm kennen we hier de Ovi-Bos (schaapos of Bos Musschatos).

De in 't wild levende schapen zijn voor een goed deel afkomstig uit de berglanden van Centraal-Azië. Het zijn over het geheel bergdieren, en het wilde schaap is dan ook veel vlugger, sterker, intelligenter dan het geteelde . Van uit Centraal-Azië hebben de schapen zich verspreid naar het noorden (Siberië), Kamtsjatka en naar Alaska (N. Amerika). Ook hebben de schapen zich naar het Westen en Z.W. verplaatst tot in Europa en Afrika. Er vallen drie groepen van in het wild levende schapen te onderscheiden :

1°. Het Manenschaap (Amnotragus tragelaphus) uit Afrika. Deze hebben nog al overeenkomst met

Sluiten