Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zuiver te houden. Het is tevens gewonscht om de wol te verbeteren. Thans toch wordt hier te lande nog veel Deensche wol gebruikt, ook voor het leger. De Denen hebben hunne schapen veel verbeterd met Schotsche schapen, hetgeen hier te lande ook kan geschieden, zoodat wij dan in onze eigen behoeften aan wol kunnen voorzien.

Schaar. Pie Ploeg.

Schaardijk. Zie Dijk.

Schaarijzer is een soort hoefijzer, dat bestaat uit twee beweeglijke deelen, die door een schroef kunnen worden vastgezet. Daardoor kan het ijzer pasklaar worden gemaakt voor hoeven van verschillende grootte.

Scha&sberg-, Zie Scliaesberg.

Schaatsen zijn toestellen, waarmede men zich snel en gemakkelijk op het ijs kan voortbewegen. Hun oorsprong verliest zich in de grijze Oudheid, want zij werden reeds door de bewoners der paalwoningen en wel uit paardenbeenderen vervaardigd. De zeer groote schaatsen van beenderen heetten in het Oud-Nootsch Skidi,' Ondroen en Oeller, de Schaats-Ase van de Edda wordt als de meester in het gebruik daarvan geschilderd. Terwijl de Noorsche volkeren, ook Friezen, Hollanders enz., van ouds goede schaatsenrijders waren, heeft deze kunst zich in andere landen van Europa, zooals in Duitschland, binnen meer bescheiden grenzen bewogen, totdat de enthousiaste schilderingen van Klopstock haar in Duitschland weer populair maakten. Tot het midden der 19de eeuw kende men slechts de Nederlandsche (Friesche) schaatsen, bestaande uit een houten plaat, waaronder een zeer smal ijzer bevestigd is, aan de onderzijde flauw convex gebogen, die met riemen aan de voeten worden bevestigd, en wel op tweeërlei wijzen, n.1. door middel van den kruisriem met het

neusleer en de pijnigende ringen, of de rijgschaats. Sedert de tweede helft der 19ae eeuw werd de schaats door middel van een schroef aan den hiel vastgemaakt; daarna vonden de Amerikanen nieuwe wijzen van bevestiging uit en thans bestaan allerlei constructies. De nieuwste vormen houden even stevig vast als de zool zelf, zonder den voet eenigszins te hinderen. Deze schaats is zeer lang (30—35 cm.) en weinig hoog, waardoor de rijder niet spoedig vermoeid raakt, zoodat zij zeer geschikt is voor lange tochten en snelrijden, daarentegen niet voor figuurrijden, omdat de bogen, die men er mee beschrijven kan, te flauw zijn. Een nog langere, geheel uit metaal bestaande Noorsche variëteit wordt veel bij wedstrijden gebruikt. Bij de Noren en Zweden worden deze schaatsen door een ingenieus bedacht stelsel van aluminium buisjes gesteund en aan den hiel vastgemaakt. De tweede soort, de Amerikaansche schaatsen, vertoonen hun grondvorm in de H a 1 if ax-schaats, die geheel uit metaal vervaardigd, veel hooger en veel korter is, vooral het gedeelte, dat het ijs raakt, en die aan den hak en bij den bal van den voet doormiddel van schroeven bevestigd wordt. Deze schaatsen zijn vooral bestemd voor het schoonrijden. Nog beter is daarvoor de lichte en elegante Haynes-schaats geschikt.

De kunst van het schaatsenrijden heeft zich in de verschillende landen op verschillende wijzen ontwikkeld. In Nederland, Scandinavië, Rusland, Finland, N. Duitschland en Canada legt men zich meer toe op het ver en snel rijden; in het overige Duitschland, Oostenrijk, Hongarije, Engeland, in den laat-

XIV

sten tijd ook in Zweden bloeit het kunstrijden sterk, dat door verschillende vereenigingen wordt bevorderd. In groote steden met kleine ijsbanen en concurreerende schaatsenrijders heeft het kunstrijden zich als een volledige sport ontwikkeld.

Voor het zeilen met schaatsen gebruikt men schaatsen van ongeveer 60 cm. lengte en een aan een houten geraamte van verschillende constructie vastgemaakt licht katoenen of zijden zeil; de hiermee verkregen snelheid is zeer groot en bereikt bij gunstigen wind wel die van een sneltrein. Daar echter voor het zeilen groote sneeuwvrije ijsvlakten vereischt worden, bestaat zelden gelegenheid dezen tak van sport uit te oefenen.

Men heeft in de laatste jaren in sommige grootere steden, zooals Londen, Parijs en Brussel, kunstmatige overdekte ijsbanen gebouwd, waar des zomers een werkelijke ijsbaan gevormd wordt door een buizenstelsel, waarin zeer koude zoutoplossingen circuleeren.

In den laatsten tijd is het gebruik van rolschaatsen (zie aldaar) weer meer in zwang gekomen.

In Nederland is het schaatsenrijden wel de meest populaire van alle sporten, waarvan de vele kanalen, vaarten, meren, plassen, enz. de verklaring geven, vooral als men terugdenkt aan den tijd zonder spoorwegen en trams, toen de schaats in den winter voor den Nederlander min of meer een noodwendig middel van vervoer vormde. Onze voorvaderen moeten reeds gepolijste schenkelbeenderen als schaatsen gebruikt hebben, wat daarom des te meer geloof verdient, wijl vaststaat, dat de Scandinaviërs zich nog in de 16<"> eeuw op zulke beenderen over het ijs voortbewogen, terwijl ook in afgegraven terpen beenen schaatsen in ons land werden gevonden. Dat hier te lande de „ijzeren" schaats ook al van zeer ouden datum is, bewijzen de vondsten van zulke exemplaren bii het aferaven van venen, nlsnnk gra¬

vures uit de 14de eeuw van oud-Hollandsche meesters, zooals P. Breughel den Oude, P. van der Borcht e. a. Toch heeft het schaatsenrijden zich niet altijd in de algemeene gunst mogen verheugen. In het begin der 19de eeuw werd het beschouwd als een vermaak, alleen voor de lagere volksklasse geoorloofd. Echter konden de hoogere standen hun sympathie met deze echt nationale sport niet geheel onderdrukken en genoten zij daarvan als toeschouwers, getuige het groot aantal wandelaars, dat zich te dien tijde langs de ijsbanen bewoog. Langzamerhand werd dit anders en, eerst in het geheim door menigeen uit de hoogere standen beoefend, werd ten slotte het schaatsenrijden een algemeene sport in Nederland. Het aantal ijsvereenigingen is legio. Daarvan verdient ongetwijfeld een afzonderlijke vermelding de Nederlandsche Schaatsenrijders-Bond, opgericht den 17d™ September 1881, die een einde maakte aan de scheeve toestanden, welke bij vele wedstrijden voor kwamen. Van de mannen, die den Bond gebracht hebben tot wat hij is, noemen wij baron de Salis en Van Buttingha Wichers. Op hun initiatief liet men buitenlandsche kampioenen, zooals Van Paschin, Donoghue, Axel Paulsen, See en Smart, overkomen, en nu bleek, dat noch onze amateurs, noch onze beroepsrijders tegen hen opgewassen waren. Met leiding en steun van den Bond werden daarna rijders gevormd, zooals de Groninger Jaap Eden, de amateur-wereldkampioen, wiens record op de 10 000 m. nog steeds niet is geslagen en wiens naam

10

Sluiten