Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet vreemd, dat zij bijv. aan een verandering van ijzer in koper geloofden bij de waarneming, dat in een zekere blauwe oplossing een stuk ijzer verdween, terwijl men er koper in terugvond. Ook wanneer zij uit loodglans eenig zilver verkregen, dachten zij aan een verandering van het eene metaal in het andere. Onder de scheikundigen van dien tijd komt de eerste plaats toe aan den Arabisch en arts Geler (Dsjabir al Koefi), die in de 9ae eeuw te Koefa leefde. Hij beschreef ovens om te calcineeren en te destilleeren, kende de cupellatie van goud en zilver door middel van lood, sublimaat, rood kwikoxyde, salpeterzuur zilver, salmiak, ijzer- en koper-vitriool, potasch en soda, maakte de sodaoplossing door kalk bijtend, loste zwavel op in bijtende loog en sloeg zwavel daaruit door zuren als zwavelmelk neer; hij bereidde zwavelkoper en cinnaber, verkreeg door destillatie van aluin het rookend zwavelzuur, door destillatie van salpeter met vitriool het salpeterzuur, en uit salpeterzuur met salmiak het koningswater, waarin hij goud oploste. Albertus Magnus (1193—1280) verbeterde de scheikundige methode, bereidde metallisch arsenikum, kende rood loodoxyde, zwavellever en zwavelkies, wist, dat koper door arsenikum wit wordt, dat zwavel alle metalen, behalve goud, aantast, en beschreef duidelijk de bereiding van buskruit. Roger Bacon (1214—1294) kende het bruinsteen en de werking van buskruit, en een ander tijdgenoot, Arnold Villanovanus uit Provence, maakte zich verdienstelijk door scheikundige praeparaten als geneesmiddelen voor te schrijven. Over Raimundus Lullus (geboren in 1235). Zie hullus. Over Bazius Valentinus (in de 15116 eeuw). Zie aldaar.

De leer van Aristoteles werd door de alchimisten uitgewerkt; zij beschouwden zwavel en kwik als de voornaamste bestanddeelen der metalen, doch Valentinus voegde er als derde bestanddeel het zout bij en oordeelde, dat de verscheidenheid der stoffen ontstond door de ongelijke verhouding, de zuiverheid en de vereenigingswijze dier bestanddeelen. Deze, welke niet met het metallisch kwikzilver, de gewone zwavel en het gewone zout identiek zijn, bestaan uit de elementen van Aristoteles.

De chemie had dan ook tot aan de 16de eeuw hoofdzakelijk slechts één doel, n.1. de metalen in elkander om te zetten. Na dien tijd volgde zij 2 verschillende richtingen, daar zij tot aan het einde der 17ae eeuw ook ter bevordering der geneeskunde beoefend werd. De grondlegger van die nieuwe richting was Paracelsus (1493—1541), die de geneeskunde van de boeien van Galenus bevrijdde, nieuwe leerstellingen in de wetenschap invoerde en de leer der alchimisten omtrent de oorspronkelijke bestanddeelen der lichamen duidelijk deed uitkomen. Voor vele uitstekende artsen uit dat tijdperk was de geneeskunde niets anders dan toegepaste scheikunde (iatrochemie); zij wilden alle scheikundige verschijnselen op het menschelijk lichaam toepassen en alle ongesteldheden door de tegenstelling van basen en zuren verklaren. Hun gevoelens en twisten over de beste wijze van bereiding dergeneeskrachtige stoffen, meestal geheime middelen, belemmerden den vooruitgang der wetenschap, hoewel ook toen vele nieuwe feiten werden ontdekt. Met eere zij hier Libavius (overleden in 1616) vermeld, die de grove dwalingen en sopliistische droomerijen van zijn tijd heftig bestreed, het tinchloride ontdekte, kunstmatige edelgesteenten vervaardigde, glas met goud rood kleur¬

de en de identiteit aanwees der uit aluin, ijzervitriool of door het verbranden van zwavel met salpeter verkregen zuren. In denzelfden geest werkte Angelus Sala, die de bereiding van salmiak uit ammoniak en zoutzuur ontdekte, en van Helmont (1577—1644), die het woord „gas" invoerde, om luchtvormige stoffen van de dampkringslucht te onderscheiden. Hij kende het in de lucht rood wordend stikstofoxied (salpetergas), het koolzuur en de bij verrotting zich ontwikkelende brandbare gassen. Hij waagde het, het stelsel van Aristoteles aan te tasten en verkondigde de onveranderlijkheid der stoffen bij het aangaan van verbindingen, daarbij aanwijzende, dat zij ook weder uit die verbindingen konden worden gescheiden. Aan Glauber (1603—1668) is men het gebruik van zwavelzuur in plaats van vitriool verschuldigd bij de bereiding van zuren en van onderscheiden zouten, van welke het zwavelzuur natrium (sal mirabile Glauberi) naar hem is genoemd (glauberzout). Hij bestudeerde de oplosbaarheid der metalen en ontdekte daarbij vele chloormetalen. Op zich zelf staat Agricola (1494—1555), de vader van de wetenschappelijke metaalsmelterij en delfstofkunde, die in zijn boeken: „De re metallica" alles opnam wat men in die dagen wist van de metallurgie, dit ordende en er eigen waarnemingen aan toevoegde. Brandt te Hamburg verkreeg in 1662 phosforus uit urine, maar hield zijn handelwijze geheim, zoodat Kunkel, die genoemde stof eenige jaren later eveneens leverde, als de tweede ontdekker mag worden genoemd.

In het midden der 17de eeuw echter begon voor de scheikunde een nieuw tijdperk. Het werd geopend door liobert Boyle (1627—1691)* die met goed gevolg in het strijdperk trad tegen de leerstellingen van Aristoteles en aantoonde, dat men zijn 4 hoofdstoffen evenmin kon aannemen als de 3 der alchimisten. Hij gaf den raad, dat men elke stof als enkelvoudig moest beschouwen totdat zij door scheikundige middelen was ontleed, en kwam door zijn bespiegelingen over de gesteldheid der elementen tot het gevoelen, dat zij oorspronkelijk uit dezelfde stof bestaan en dat hun verscheidenheid veroorzaakt wordt door verschillende grootte, gedaante enz. der kleinste deeltjes. Boyle had voorts opgemerkt, dat verbranding alleen plaats heeft bij de aanwezigheid van dampkringslucht, dat daarbij een gedeelte daarvan verdwijnt, en dat het verbrandingsproduct zwaarder is dan het oorspronkelijke lichaam. Deze beschouwingen en feiten, die niet alleen den doodsteek moesten toebrengen aan de leer van Aristoteles, maar ook de ontwikkeling der chemie aanmerkelijk bevorderden, vonden geen algemeenen ingang. Zelfs behield een theorie de overhand, welke in rechtstreeksche tegenspraak is met genoemde feiten. De stichter van deze theorie was Stahl (1660—1734), die aan zijn voorganger Becher (1635—1682) het opwerpen dier theorie toekende. Stahl nam in de brandbare lichamen iets gemeenschappelijks aan, dat hun de eigenschap der brandbaarheid verleende en gaf daaraan den naam phlogiston. Het verkrijgen dier onderstelde stof werd niet beproefd, en men achtte dit ook onnoodig. Lood bestaat volgens Stahl uit loodkalk (loodoxied) en phlogiston, dat bij de verbranding wordt uitgedreven. Verhit men loodkalk met houtskool, dan verkrijgt men weder metallisch lood, daar de phlogistonrijke houtskool aan do loodkalk phlogiston afstaat. Deze veronderstelling

Sluiten