Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

w racht° nok een arm van hefboom i r vasthoudt, ke ,rvan..^e arm i voor h van een (ten deele afgebron) schijf met nummer is voorzien. Zoolang i door

li wordt vastge-

D,

*IG- ö. houden,wordt de

schijf van het bijbehoorende ven\ stertje weggej trokken, terwijl zij, door haar eigengewichtneervallend, voor het

venster verschijnt, als de in werking gebrachte electromagneet ziin anker

Schellen. aantrekt en de

nnlr i r Inslaat.

Imrm mo-i vonr WAV/Inn A n noai-fïmrollan

ÏIVItv» X ■«-"■'-'u * wu1uci1 vxv, v ctuwi

weer in den oorspronkelijken stand terug-

ewP. dezelfde wijze als de hierboven beschreven aan H ^ sc^e^' werken de veiligheidscontacten, die den ren' ramen, jaloeziën, brandkasten enz. woraangebracht en bij het openen der deuren enz. Watisch in werking treden.

I)ni,C i ier' Immanuël Jóhann Gerhard, een te Ihl ^e3F.ic°graaf, geboren den 22sten Maart 1735 17(51 bij Dahme, studeerde te Leipzig, werd in Van ^re°^or te'Xübben in de Nederlausitz en in 1772 öaeaüTet gymnasium te Brieg in Silezië, waar hij den ches i overleed. Zijn lexica zijn: „Ausführli-

Wfi , ateinisch-deutsches und deutseh-lateinisches tei"j e™ucll"(7 dln., 3<>e druk, 1804—1806), een „Lalfixiv'„^eutsches und deutseh-lateinisches Handverhof11 (^ln., 1792), welk laatste een groot aantal nisch ti6 .!l'tgaven beleefd heeft en „Kleines latei(7de jS "örterbuch in etymologischer Ordnung" führl Ü Daarenboven schreef hij: „Aus-

ï'Kur < lateinische Sprachlehre"(4ae druk, 1803), 1814^ Baszte lateinische Sprachlehre"(4tie druk,

1V97) èncePta stiii bene iatini (2 dln., 3ae druk,

's c'e naam van een oud Nederstuiv„ Z1lveren muntstuk, dat een waarde van 6 ^as flpS ° penningen had. Ook in andere landen brnijj 26 naam voor een bepaalde muntsoort in ge-

gesSch^1Iin8'' ,Piefe;r van der, een Nederlandsch W* 6n oudheidkundige, geboren in 1692 te

»iaA, ' ue scnoor.zoon van (Jornehs van Al-ke-

stüdiëif'°moveerde 'n rechten, voleindigde zijn als prpVl- theologie en was vervolgens werkzaam 1?25e(,i.', a,"t te Nijmegen, Gorinchem en Gouda. In aan de l'I'r,Yr°eg hij zijn ontslag, om zich uitsluitend Mjden der geschiedenis en oudheidkunde te

s°he gé ] , vervaardigde Nederlandsche en LatijnseheidP en ga* mc't zijn schoonvader onder-

Vatl ziii? v6^611 uifc> ^ot belangrijkste geschriften Verhan ï ,and behooren: „Hollandsch tiendrecht of ftiend O.6 van bet recht tot de tienden, toeko■'lollanrf11 Grafelijkheid en de Heerlijkheden van 'let nnt e'' ^est-Priesland"(1727) en „Historie van li08tbai'at!Samlit"*-1''4:®)- bezat een keurige en ïliuiit-n„t verzameling van boeken, handschriften en Schel» overleed in 1751.

Friedrich Wilhelm Joseph von, een

Duitsch wijsgeer, geboren den 27sten Januari 1775 te Leonberg in Württemberg, studeerde te Tübingen en Leipzig, werd in 1798 op aanbeveling van Fichte en Goethe benoemd tot buitengewoon hoogleeraar in de wijsbegeerte te Jena, waar hij vriendschappelijke betrekkingen aanknoopte met de gebroeders Schlegel; later huwde hij de echtgenoote van A. W. Sehlegel, de geestige Karoline. Hij aanvaardde reeds in 1803 een beroep naar Wiirzburg en in 1806 de betrekking van secretaris-generaal der Academie van Beeldende Kunst te München, waar koningjkfaa»»»liaan Joseph hem brieven van adeldom verleende. Wegens een letterkundigen twist met F. H. JacoU, president der Academie, verliet hij in 1820 München met verlof en hield eenigen tijd voorlezingen te Erlangen, totdat hij in 1872 benoemd werd tot hoogleeraar in de wijsbegeerte aan de universiteit te München. Hier werd hij spoedig geheimraad in werkelijken dienst en voorzitter der koninklijke

Academie van Wetenschappen. In 1840 echter nep koning Friedrich Wilhelm IV hem naar Berlijn. Aan de universiteit aldaar opende hij met verbazenden toeloop zijn voorlezingen over „Philosophie der Mythologie und Offenbarung", welke, door Paulus zonder toestemming van Schelling uitgegeven, aanleiding gaven tot een netelig rechtsgeding. Daardoor gekrenkt, legde hij zijn betrekking neder en woonde vervolgens bij afwisseling te Berlijn, München en elders. Hij huwde in 1812 voor den tweeden keer met Pauline Gotter. Hij overleed den 20sten Augustus 1854 te Bad Ragatz in Zwitserland, waar Maximiliaan II, koning van Beieren, in 1856 te zijner eer een gedenkteeken deed verrijzen.

Als uitstekend schrijver heeft Schelling op meer dan één gebied van wetenshap met roem gearbeid. Zijn wijsbegeerte heeft intusschen wegens zijn prikkelbaarheid zoo vele wijzigingen ondergaan, dat men haar stichter niet ten onrechte met den naam van „Proteus" bestempeld heeft. Zij strekt zich uit over twee tijdperken, welke door de in 1809 verschenen verhandeling: „Philosophische Untersuchungen über das Wesen der menschlichen Freiheit

und der damit zusammenhangenden Gegenstande" gescheiden zijn en door hem zelf de nagatieve en positieve, door anderen met meer juistheid de pantheïstische en theïstische worden genoemd. In het eerste, waarin zich de invloed van Fichte doet gelden is hij, evenals deze, doordrongen van het denkbeeld, de wijsbegeerte als de wetenschap der rede tebeschouwen, in het tweede, waarin hij volgens zijn eigen verzekering tot Kant nadert, beijvert hij zich, haar als een de grenzen der redelijke kennis overschrijdende positieve wetenschap te behandelen. In beide tijdperken ontwaart men het streven, het geheel der wetenschap uit een enkel beginsel stelselmatig af te leiden, evenwel met dit onderscheid, dat dit laatste in het eerste tijdperk (philosofie = wetenschap deirede) werd aangemerkt als in de rede zelve gelegen (immanent, rationeel), in het tweede (philosofie = positieve wetenschap) daarentegen als loven en buiten de rede bestaande (trancendent, bovennatuurlijk), waarin de gevolgen vrij (afhankelijk van den wil) en daarom slechts door ervaring (geschiedenis en openbaring) te doorgronden zijn. Het beginsel der wijsbegeerte is in het eerste tijdperk, in overeenstemming met de oorspronkelijke wetenschapsleer van Fichte, het scheppend ik als het eenige, werkelijk bestaande, door welks rusteloos vereenigende en

Sluiten