Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tantsch godgeleerde, geboren den 21sten December 1813 te Dagerlen (kanton Zürich), studeerde te Bazel en te Göttingen, vestigde zich in 1838 als privaatdocent te Bazel, werd in 1841 predikant te Schaffhausen, in 1849 professor te Bazel en in 1851 professor, directeur van het seminarium en academieprediker te Heidelberg. Van zijn talrijke geschriften vermelden wij: „Das Wesen des Protestantismus"(3 dln., 2de druk, 1862), „Prinzip des Protestantismus" (1862), „Die christliche Dogmatik vom Standpunkt des Gewissens"(2 dln., 1858-1859) en „Das Charakterbild Jesu"(4de druk, 1873), welk werk een aanval op zijn ambt uitlokte. Ook redigeerde hij voor de Protestantenvereeniging, aan het hoofd waarvan hij stond, van 1860 tot 1872 het maandwerk: „Allgemeine kirchliche Zeitschrift", gaf het geschrift: „Der Deutsche Protestantenverein und seine Bedeutung" (1868) uit en redigeerde het: „Bibellexikon, Realwörterbuch zum Handgebrauch für Geistliche und Gemeindeglieder"(5 dln., 1869—1875). Later gaf hij uit: „Friedrich Schleiermacher. Lebens- und Charakterbild"(1868), „Luther in Worms und in Wittenberg"(1870), „Christentum und Kirche in Einklang mit der Kulturentwickelung"(2 dln., 1867) en „Das Christusbild der Apostel und der nachapostolischen Zeit"(1879). Hij overleed den 19den Mei 1885 te Heidelberg.

Schenkendorf, Max, een Duitsch dichter, geboren te Tilsit den llien December 1783, studeerde te Koningsbergen en werd er referendaris bij het bestuur. De vroege omgang met eenige familiën, waarin een godsdienstig gemoedsleven heerschte, bleef niet zonder invloed op zijn geest, die daardoor een zedelijk-godsdienstige richting verkreeg, welke door de inwerkingen van de romantische dichterschool, vooral van de geschriften van Novalis, meer en meer versterkt werd. Van 1811-—1812 nam hij aan de voorlezingen van Délbrück over de aesthetica deel en ging daarna naar Karlsruhe, waar hij huwde en door den omgang met Jung-Stilling en mevrouw v. Krüdener nog verder dezen weg opging. Door de oproeping van den koning van Pruisen werd hij echter aan zijn stil huiselijk leven onttrokken. Hoewel hij reeds vroeger in een duel op het pistool zijn rechter hand had verloren, trok hij toch mee ten strijde en werd na den vrede tot regeeringsraad te Koblenz benoemd. Hij overleed aldaar den llaeli December 1817. Te Koblenz en Tilsit werden gedenkteekenen voor hem opgericht. Hij was in de eerste plaats een vaderlandslievend dichter. Van andere dichters uit den tijd van den bevrijdingsoorlog onderscheidt hij zich door de beslistheid, waarmee hij op het doel wees, waarnaar na de bevrijding in de eerste plaats moest gestreefd worden, vooral naar het herstel van keizer en rijk. Hij overleed den Uien December 1817 te Koblenz. Rückert heeft hem met recht als den „Kaiserherold" begroet.Hij toonde zich een geestverwant van vrijheer von Stein in den gezonden, historischen zin, welken men o. a. vindt in zijn liederen „Die deutschen Stadte" en „Der Bauernstand". Zijn „Gedichte" verschenen in 1815, zijn „Poetischer Nachlasz" in 1832 en zijn „Samtliche Gedichte" in 1837 (5d* druk, 1878).

Schenking is volgens art. 1703 van ons Burgerlijk Wetboek een overeenkomst, waarbij de schenker bij zijn leven, om niet en onherroepelijk eenig goed afstaat ten behoeve van den begiftigde, die het aanneemt. Onder het Fransche recht was zij een der

wijzen, waarop eigendom verkregen werd; men beschouwde den begiftigde terstond als eigenaar, zonder dat levering van de zijde des schenkers noodig was. Volgens onze wet verkrijgt de begiftigde door een schenking de zaak zelf niet, maar het recht om te vorderen, dat de schenker haar aan hem levere. Ook kent zij alleen schenking onder levenden. Schenking ter zake des doods , vroeger in ons vaderlandsch recht bekend, had dan alleen gevolg, wanneer de schenker vóór den begiftigde kwam te stervenden was herroepelijk. De schenking en de aanneming door den begiftigde moeten bij authentieke akte gedurende het leven van den schenker geschieden; zoolang de aanneming niet heeft plaats gehad, bestaat er geen schenking, maar enkel een aanbod van schenking. Tot huwelijksgiften wordt geen uitdrukkelijke aanneming vereischt. Bij giften van hand tot hand van roerende lichamelijke voorwerpen of van schuldvorderingen aan toonder is geen akte noodig; zij zijn van kracht door de enkele overgave. Toekomstige goederen kunnen wel het onderwerp uitmaken eener overeenkomst, maar mogen niet worden weggeschonken. Eindelijk behoeft de schenker de waarde van het geschonken voorwerp niet te vergoeden, wanneer het wordt uitgewonnen; hij is ongehouden tot vrijwaring. In sommige gevallen kan tegen een schenking worden opgekomen, b.v. als zij door een gefailleerde ter benadeeling zijner schuldeischers is gedaan, of aan een tweeden echtgenoot ter benadeeling der voorkinderen of aan een persoon, aan wien de wet verbiedt bij testament iets te vermaken.

Schenking^ van Constantijn of Donati0 Constantini noemt men de schenking, die, zooals men in de Middeleeuwen meende, Constantijn de Groote aan den paus zou hebben gedaan. Deze werd vermeld in een oorkonde, die de kerk voor echt uitgaf en die bij het Corpus juris canonici ingelijfd werd. Hierin werd door den keizer verhaald, hoe hij door paus Sylvester gedoopt en daarbij van melaatscliheid genezen was. Uit dankbaarheid verleende hij den paus de heerschappij over Rome, Italië en West-Europa; terwijl hij zich zelf naar Konstantinopel begaf; hij erkende verder het primaat van den paus en schonk aan diens omgeving hooge ambten. In de Middeleeuwen geloofde men algemeen aan de echtheid van deze oorkonde, alleen werd door sommige juristen betwijfeld, of de keizer het recht tot zulk een schenking had. In de 16de eeuw ontdekte Lorenzo Vallü' dat de geheele oorkonde vervalscht was. Waarschijnlijk heeft deze vervalsching tusschen 772 en 781 plaats gehad.

Schenkl, Karl, een Duitsch letterkundige, geboren te Brünn den liaen December 1827, studeerde te Weenen, was van 1851 tot 1857 leeraar aan het gymnasium te Praag, daarna professor in de oude letteren te Innsbrück, in 1863 te Graz en in 1875 te Weenen. Behalve een aantal Grieksche schoolboeken, bewerkte hij uitgaven van „Orestis tragoedia (1867), van Xenophon (dl. 1 en 2,1869—1876; daarbij „Xenophor.tische Studiën", 3 afl., 1869—1876). van Valerius Flaccus (daarbij „Studiën zu den ArgO' nautica des Valerius Flaccus", 1871), van Ausonivft Claudiws Marius Victor, van Ambrosius (voltooi" door zijn zoon, 4 dln., 1897—1902) enz. Sedert 187J was hij mederedacteur van de „Zeitschrift für österreichische Gymrasien"; in 1879 stichtte hij als suf]* plement daarbij met Hartel de „Wiener Studiën • Hij overleed den 20eten September 1900 te Graz.

Sluiten