Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pooten zijn niet intrekbaar; de kaken zijn door vleezige lippen omringd. Zij bewonen de rivieren van Azië, Afrika en Amerika, gaan slechts om eieren te leggen aan land en jagen des nachts op visschen, watervogels enz., eten echter ook plantaardige stoffen. Vleesch en eieren zijn eetbaar. De bijtschildpad (trionyx ferox Schweigg.) heeft een pantser van 42 cm., is donkergrijs, van onderen vuilwit en bewoont onderscheiden rivieren in Amerika. Zij wordt gejaagd wegens het vleesch.

Tot de zoowel in het water als op het land levende dieren met een min of meer gewolfd, 'verbeend met het borstschild vergroeid, met hoornplaat bekleed rugschild, met niet intrekbaren kop en pooten, met vrije, van klauwen voorziene teenen en zwemvliezen, behoort de arraoeschildpad (Podocnemis expansa D. B.). Deze heeft een 77 cm. lang pantser en een platten kop, is van boven zwartgrijs, van onderen oranjegeel. Zij bewoont onderscheiden rivieren van Zuid-Amerika en legt haar eieren op den oever. De inboorlingen eten de eieren en bereiden er olie uit. De matamata (ehelys fmbriata Schweigg.) heeft een 35 cm. lang pantser, een slurf vormig verlengden neus, een langen hals en een korten staart en is aan den kop en hals met baardjes en franje bezet. Zij is van boven bruin, van onderen groengeel, riekt onaangenaam en woont in N. Brazilië en Guyana. Zij voedt zich met visschen, kikvorsclien en watervogels. Haar vleesch wordt gegeten.

De Zoetwaterschildpadden (Emydae) hebben een meestal, evenals het kleine buikschild, volkomen verbeend rugschild, een los liggende huid, waarin de nooit van schilden voorziene kop in een opening kan worden teruggetrokken, en dikke pooten, waarvan de voorste vijf, de achterste vier, vrij beweeglijke, door zwemvliezen' verbonden, van klauwen voorziene teenen bezitten. Zij bewegen zich gemakkelijk op het land, zwemmen uitstekend, leven in langzaam stroomende rivieren, in moerassen en vijvers en voeden zich voornamelijk met visschen. Tot deze soortenrijke familie behoort de Europeesche moerasat vijverschildpad (Doosschildpad, Testudo lutaria Strauch, Emys orbicularis Wagl.)\ zij is 32 cm. lang, heeft een 19 cm. lang rugschild, een tamelijk langen staart, is zwartachtig met gele punten, op het rugpantser zwartgroen met straalsgewijs loopende gele puntenrijen, op het buikschild vuil geel met bruine punten, leeft in Z. en O. Europa, in Klein Azië, voedt zich met regenwormen, waterinsekten, slakken, ook wel met visschen en planten. De jongen komen eerst na 22 of 23 maanden uit de eieren. Het vleesch is eetbaar. De grootkoppige schildpad (Platysternum megalocephalum) is 40 cm. lang, heeft een zeer grooten, niet intrekbaren kop, een 18 cm. langen staart en een 15 cm. lang rugschild en is van boven olijfbruin, van onderen geel en lichtbruin. Zij bewoont China. Zeer vele zoetwaterschildpadden in Amerika bezitten door haar eieren een groote beteekenis voor geheele stammen.

De Landschildpadden (Chersidae) hebben een verbeend en met hoornplaten bekleed rug- en buikschild, klompvoeten met stompe nagels en kaken zonder lippen; kop en pooten zijn volledig intrekbaar. Zij bewonen vochtige en begroeide streken van de warmere en heetere luchtstreek en voeden zich met planten. De Grieksche schildpad {Testudo graeca L.) is 30 cm. lang, heeft een sterk gewelfd, 15 cm. lang rugschild en zwart gezoomde schilden en is aan den

kop, hals enz. vuil groengeel, woont in het 0. van Z. Europa, voedt zich met kruiden, vruchten, wormen, slakken en insekten en legt in Juni 4—12 eierenMen gebruikt deze schildpadden in tuinen, om B1" sekten te verdelgen; in Italië bereidt men er soep van. In gevangenschap wordt zij zeer oud. Olifo schildpadden uit het geslacht Testudo L. waren vroeger op Réunion, Mauritius, Rodriguez, Aldabra en de Galapagos zeer talrijk, werden echter grootendeels uitgeroeid; slechts op Aldabra leeft nog een garing aantal. Zij worden 1,5 m. lang, 1 m. breed en 1 m. hoog en voeden zich met bladeren en vruchtenHet vleesch is zeer smakelijk. Men vertelt, dat zij m gevangen staat 18 maand honger kunnen lijdenMen kan haar gemakkelijk in het leven houden.

Schildpaddeueilanden. Zie Galapagos-eilanden.

ScMIdvlengeligen. Zie Kevers.

Schildwacht is een naam, afkomstig uit den riddertijd, toen in het oorlogsveld ieder ridder zijn schild ophing vóór zijn tent en daarbij een wachter ot bewaker plaatste. Thans geeft men dien aan iederen soldaat, die gewapend gedurende een bepaalden tijd op een post is geplaatst. Somtijds is zulk een post voorzien van een schilderhuis, waarin de wachtheb" bende hij ongunstig weder schuilen kan. De schild" wacht mag zijn wapens niet afleggen en zijn post niet verlaten, voordat hij afgelost wordt.Ook is het hem verboden te spreken, tenzij de dienst het vereischt. Daarentegen mag hij zijn wapens gebruiken wanneer hij onraad vermoedt en op zijn aanroepen geen behoorlijk antwoord ontvangt.

Schildza&d. Zie Alyssum.

Schilfersteen is een soort lilaroode steen, die uit kiezelzure aluinaarde en ijzer bestaat. Zij levert de grondstof voor fijne slijpsteen en.

Schilkouter of voorschaar. Zie Ploeg.

Schill, Ferdinand Baptiste von, een Pruisisch patriot, geboren den 6den Januari 1777 te Wilmsdpri bij Dresden, trad reeds vroeg in dienst bij de Pruisi; sche huzaren. In den slag bij Auerstadt ontving M eene wond aan het hoofd. Hij vormde in 1807 een vrijcorps van 1000 man, met wie hij de verdediging van Kolberg krachtig ondersteunde. In 1809 vormde hij het plan, op eigen gelegenheid iets bij te dragen tot bevrijding des vaderlands. Onder voorwendsel, dat hij zijn regiment in het veld wilde oefenen, verliet hij daarmede, zonder dat de koning het wist, den 258ten April 1809 Berlijn en begaf zich op marsen naar de Elbe. Hij werd gevolgd door een aantal officieren en door een compagnie jagers te voet. Doen reeds vóór dat hij Wittenberg bereikte, ontmoette het kleine corps eenigen tegenstand, en daar de gezindheid der Saksers geenszins gunstig was, rukte hij op den linker oever der Elbe voorwaarts naar Anhalt en strekte zijn tocht uit tot in de omstreken van Halle. Bij Dodendorf, niet ver van Maagdenburg, had den 5ien Mei het eerste gevecht met een afdeeling van het garnizoen van Maagdenburg plaats. Daar de koning openlijk zijn gedrag ten strengste afkeurde, kreeg Schiil geen versterking zoodat hij voor de klimmende macht van den vijand moest terugtrekken. Hij begaf zich door de Altmaif naar Mecklenburg, om Wismar en Rostock te berei* ken, waar hij bijstand van de zijde van Engel»11® hoopte te verkrijgen. Door de Nederlandsche en Deensche troepen in de engte gebracht, bezette W Stralsund, waar hij met den grootsten spoed de vei'

Sluiten