Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij Leipzig en volgde in September Eörner, die ondertusschen gehuwd was naar Dresden. Aldaar voltooide hij den „Don Carlos", vervaardigde het gedicht „An die Freude" en de vertellingen „Der Verbrecher aus Infamie" en „Der Geisterseher". Zijn gesprekken met Körner gaven aanleiding tot de philosoflsche „Briefe des Julius an Raphael". Te Dresden ontvlamde zijn hartstochtelijk gemoed voor Henriette von Arnim; hij wist echter zijn hartstocht te bedwingen en begaf zich opnieuw naar Weimar, waar hij welwillend werd ontvangen en zijn vriendschap met Charlotte von Kaïb hernieuwd werd. In 1787 bezocht hij te Rudolstadt mevrouw Von Lengefeld, die hij met haar dochters Karoline en Lotte reeds in 1784 te Mannheim had leeren kennen. In Mei 1788 vestigde hij zich in het in de nijbijheid van Rudolstadt gelegen dorp Volkstedt, in hetzelfde jaar leerde hij bij de familie Von Lengefeld Goethe kennen, zonder dat echter tusschen beide dichters eenige sympathie ontstond. In dezen tijd verscheen het eerste en eenige deel van de „Geschichte des Abfalls der Niederlande" en verschillende gedichten o.a. „Die Götter Griechenlands". In November keerde hij naar Weimar terug, vervuld met de herinneringén aan Karoline von Lengefeld, die ondertusschen gehuwd was met Von Beulwitz en aan haar zuster Lotte.

In December ontving hij door tusschenkomst van Goethe een benoeming tot buitengewoon (aanvankelijk onbezoldigd) hoogleeraar in de geschiedenis te Jena, die hij ondanks verschillende bezwaren aannam. In Maart 1789 verscheen het gedicht: „Die Künstler", waarop Wieland veel invloed had gehad. In Mei aanvaardde hij zijn hoogleeraarsambt met een rede: „Was heiszt und zu welchemEndestudiert man Universalgeschiclite" ? In 1789 werd hij verloofd met Lotte von Lengefeld, ontving van hertog Karl August een jaargeld van 200 thaler en werd den 22sten Februari 1790 in de dorpskerk van Wenigenjena met zijn geliefde in den echt verbonden. Hij gaf in dien tijd een „Sammlung historischer Memoiren" in het licht en bewerkte voor den „Historischer Damenkalender" van Göschen zijn „Geschichte des Dreiszigjahrigen Krieges". Zijn geluk werd echter sedert het begin van 1791 verstoord door hevige aanvallen van een borstziekte. Daarbij kwamen drukkende geldzorgen, waaraan echter op een onverwachte manier een einde gemaakt werd. Op het valsch gerucht van Schiller's dood was te Hellebeek op Seeland op initiatief van den dichter Baggesen een lijkdienst gevierd. Toen echter deze hoorde dat Schiller nog leefde, doch in kommervolle omstandigheden verkeerde, wendde hij zich tot prins Friedrich Christian von Schleswig-Holstein-Aiuiustenburg en tot graaf Ernst Heinrich von Schimmelmann, die Schiller gedurende 3 jaar een jaargeld van 1 000 thaler verleenden. Bevrijd van geldelijke zorgen wijdde hij zich thans geheel aan de kunst. Hij schreef o.a. een aantal aesthetisch-philosofische verhandelingen, zooals: „Ueber den Grund des Vergnügens an tragischen Gegenstanden", „Ueber Anmut und Würde", „Ueber die aesthetische Erziehung des Menschen" en „Ueber naive und sentimentalische Dichtung", waarin hij bij Kant aanknoopt, en diens ideeën vooral met de kunst in verband brengt. Schiller'1 s gezondheid beterde langzaam, een reis naar zijn geboortestreek (1793—1794) had een gunstigen invloed op zijn gestel en bracht hem buiten¬

dien in kennis met den boekhandelaar Cotta, We wien hij over de uitgave van de „Horen"(l'<9ö-"' 1797) en den „Musena.lmanach"(1795—1800) e®? contract sloot. De uitgave van de „Horen" bracD hem in nauwere aanraking met Goethe tengevolg® waarvan thans tusschen de beide dichters een innig6 vriendschap ontstond, die voor de letterkunde ^ het grootste belang werd. In 1797 verschenen in d® „Musenalmanach" de gemeenschappelijke geschre* ven „Xenien", in 1798 een groot aantal van Schittf meest bekende balladen. Ook legde de dichter zlC'! weder op het drama toe, waarvan hij thans voor» door zijn wijsgeerige studiën een geheel ander?' rijpere opvatting had. Nadat hij het reeds in geschreven ontwerp voor den „Wallenstein" in 1 geheel omgewerkt had, werd het in 1799 voltooid' Daarop volgden Maria Stuart"(1800), „Die Jungfra1 von 0rleans"(1801), „Die Braut von Messina'^lBO^' „Wilhelm Tell"(1804) en de fragmenten van „DeIlie trius". Daarnaast verschenen een aantal gedicht^, zooals „Das Ideal und das Leben", „Das Glück > „Der Tanz", „Das Eleusische Fest", „Der Spazi^f" gang", „Das Lied von der Glocke" enz.; verder,,"1 Huldigung der Künste" en verschillendevertaliBgeD' Hij was, nadat hij in 1798 tot gewoon hoogleeraa benoemd was, in 1799 naar Weimar vertrokkel1' waar hij levendig aandeel nam aan de hervormi'1? van het tooneel. In 1802 werd hij in den adelstan verheven. In 1804 ontving hij een uitnoodiging °n, zich te Berlijn te vestigen, welke hij van de ha11 wees.Terwijl hij nog plannen maakte voor vele and®1 werken, overleed Schiller, die de zware ziekte va 1791 nooit geheel te boven gekomen was, den 9 1 Augustus 1805. Geen dichter is zoo de lieveling v» een geheel volk geworden als Schiller was. In l&L werd de herinnering aan zijn geboorte en in 1"^, de herinnering aan zijn dood overal in Duitschla'l gevierd. Op verschillende plaatsten werden stand beelden voor hem opgericht, wij noemen hiei"v'1 dat van Thorwaldsen te Stuttgart (1839), die va'^ Schiller en Goethe tezamen te Weimar (1857). en die t» Mannheim, Mainz, München, Frankfort a. M.,

burg, Berlijn en Weenen. In 1859 werden een aan®! Scliillervereenigingen en een Schillerstichting (zi°11 j daar) opgericht. De beste portretten zijn die van GrW (1786) en van Ludovika Simanowitz (1793), de bes buste die van Dannecker (1794). Schiller'sgemalin, d1 j hem 4 kinderen schonk, overleed in 1826.Het aan^ uitgaven van zijn werken is zeer groot, de eers volledige uitgave bezorgde Körner (12 dln., 1812 . 1815), van de latere noemen wij die van Goedeke (1 afdeelingen in 17 deelen, 1868—1876), van B^e mann (14 dln., sedert 1896) en de Cottauitgave ^ Von der Hellen (16 dln., 1904—1905). Een uitga van zijn brieven verscheen van 1854—1858 te Pe lijn, een betere en meer volledige is die van (7 dln., 1792—1896). De meeste waarde hebben , ^ brieven aan Körner en aan Goeffie.Levensbesclirij^jf, gen gaven o. a. Karoline von Wolkogen (2 dln., l&fJ' Hoffmeister (5 dnl., 1838—1842), Goedeke (18J t Wychgram (1895), Minor (dl. 1 en 2 1890), ^*L, (1905), Iiühnemann (1905) en een aantal ander" ' Over de werken van Schiller schreven o.a. Ton schek, ICuno Fischer, Kühnemann, Béllermann, Pu1 zer en ViehofJ. . s.

SchiUerprijs is de in 1859 door den Prl"|) regent van Pruisen (den lateren keizer Wilhelmu ingestelde prijs voor letterkundige, inzonden11

Sluiten