Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

f. ®°hneeberg', een berggroep van de Oosten^ che Alpen, wordt van de Raxalpe (in het Z.W.) str°r ^ nauwe Höllental, waardoor de Schwarza p gescheiden, helt in het N.O. steil naar het hn "erger dal af en bereikt in den Kaiserstein een ^°gte van 2016, in den Klosterwappen van 2075 3j„i~e Schneeberg wordt wegens zijn mooi verge10 v Vooral van Ween en nit bezocht en is door den S(o langen tandradspoorweg Puchberg—Hocho/^berg gemakkelijker toegankelijk gemaakt. gP aen Schneeberg bevinden zich de Alpenherberg

'MlïTïQrav^.rv,. f-\ \ 1_ „J. 1, „X„l TT„„X.

.c^neebf»ro- m lin-f TTflir70vin TTlivciKo+lilrPrlr-

(ior\r\

v-^ouu m. en onderschei den hutten voor onder

Je

SnVi

r* be:

neeberg1 {Groseer of Spieglitzer Schneeberg),

hp). p, rSt0P van de budeten, het hoogste punt van

Pl

I „ X r* ■ . , . . ~

"-ihl. 1.7Pr SnDOnnrrrohurirfa hrrf r\r\ ricx rrrorto van

"rnic-; ^ biwi° v"-"

W—oilezie, .Bohemen en Moravie, is 14zz m. j,, .§ en draagt een meteorologisch station en een 30

l

de March,

sPrip0°^en ^oren* helling van den berg ont-

Schï

HW.L V'*"-

bce, ten Z. van Weiszenstadt,

tusschen de bron-

hoft Van Eger en van den Main gelegen, in 1051 m.

Op zijn top bevindt zich het „Backöfele", een

hnno-a rrron.'n^^.n ^ An 1\T C\

W

tii i •

•a ng de „Drie Brüder"(834 m.), drie granietrotsen,

de p Qo middelste op een woli gelijkt, en verder Hg^'dolfstein (880 m.), welke uit groote granietbur„^,s bestaat, welke vroeger door muren tot een

at verbonden waren.

top c~neeberg- (Hoher Schneeberg), de hoogste v?-n het Elbe-Zandsteengebergte (Sachsische 72r eiz)> ligt ten W. van Tetschen in Bohemen, is

hotei g) heeft een 33 m. hoogen toren en een

S

oge granietmassa, en een hut, op de N.O.

en levert een mooi vergezicht op

hetjj aeekoppe (Biesenkoppe), dehoogstetop van en jn ®Uzengebergte, in het Middel-Duitsche bergland Op j ^ koninkrijk Pruisen gelegen, is 1603 m. hoog. graaf6tl ^°P staat een kleine ronde kapel, waaraan |jriüw Schaffgotsch reeds in 1668 is begonnen te is. y®1),6*1 welke aan den heiligen Lemrentóws gewijd op p; ,e.r bevinden er zich twee logementen, een eerste kS'S?h en een °P Boheemsch gebied; in het Wive bevindt zich des zomers een postkantoor en i jlen een meteorologisch station, in het tweede heeft Sraafkantoor. Naar het Z. (naar Bohemen) Sez'cht °P den 600 m- diePen AupaS'tekt' uitzicht van de Schneekoppe is uitge•fteej i611 ^wisselend, daar men hier een cirkel van

aan 300 km. in middellijn kan overzien, ^ore^f; Lucien, een Fransch beeldhouwer, bii ti , 1111864 te Bnrdeainr. ontving ziin onleidirio-

J van».-* . . ' — n j i o

• 8cliife e en debuteerde in 1887 in den Salon ^2on,j r?let zijn broeder, van wien hij een buste 'koni zijn overige werken behooren een meisi °°rsteuln marmer (1894), een beeld, Jong Frankrijk Nstes en<ie, voor een fontein te Toul, en een aantal °ldhfi an vrouwen en kinderen. Ook als decoratief Uwer heeft hij talriike stukken geleverd.

fv., ~,*rip.nn . ■ " , ^

^ Dom MStOl

K Gaston fiftn hrnprlftr van Hpti ATAArfynQ-nrl a

^ te Bordpanv in 1 PTOnPonc oon TTrovic/iV

even . een leerling van vatguiere, debuteer-

in 1887 in den Salon en wel met een i''*1 tiarn Van Z^u br°eder. Hij vervaardigde o.a,. Voo/ren beeld van St. Franciscus van Assisi, e vogels predikt, een houten beeld van

St. Cecilia, een heilige familie in brons en een aantal allegorische voorstellingen.

Schneidemiihl (Poolsch: Püa), een stad in het Pruisische distrikt Bromberg, aan de Küddow, 57 m. boven den zeespiegel gelegen, is een kruispunt van spoorwegen en bezit onderscheiden kerken, een gedenkteeken van keizer Wilhelm, I, een gymnasium, een hoogere burgerschool, een kweekschool voor onderwijzers, een doofstommeninstituut en nijverheid. Het telt (1905) met het garnizoen 21 624 inwoners.

Schneiöer, Friedrich, een Duitscli componist, geboren den 3aen Januari 1786 te Altwaltersdorf bij Zittau, bezocht de universiteit te Leipzig en werd in 1807 organist in de universiteitskerk aldaar. Yan 1810—1813 was hij orkestdirecteur bij een operagezelschap, werd in laatstgenoemd jaar organist in de St. Thomaskerk te Leipzig en in 1817 muziekdirecteur aan den stadsschouwburg aldaar. In 1821 werd hij organist en kapelmeester te Dessau, waar hij een groote werkzaamheid als dirigent, componist en voor-

ai als onderwijzer ontvouwde en m 1829 een muziekschool opende. Hij overleed aldaar den 23sten November 1853. Tot zijn beste stukken behooren de oratoria: „Das Weltgericht"(1820), „Die Siindflut", „Das verlome Paradies", „Pharao", „Christus das Kind", „Christus der Mittler", en „Absalon"(1828). Verder leverde hij missen, 7 opera's, ouvertures, quartetten enz., en schreef: „Elementarbuch der Tonsetzkunst", „Vorschule der Musik" en „Handbuch des Organisten"(4 dln., 1829—1833).

Schneider, Eugen, een Fransch industrieel en staatsman, geboren te Bideshoff (Meurthe) den 29sten Maart 1805, werd koopman en in 1830 met de leiding van de ijzerfabrieken te Bazeilles belast. Met zijn broeder en in 1845 alleen belastte hij zich met de directie der groote ijzer-, staal- en machinefabriek te Creusot, welke hij tot grooten bloei en tot de grootste van Frankrijk (16 000 arbeiders) verhief. Van 1845—1848 was hij volksvertegenwoordiger, van 20 Januari tot 20 April 1851 minister van Handel en Landbouw, werd in 1852 lid. en vice-president.

in 1865 president van het Wetgevend Lichaam en ontving in 1868 het grootkruis van het Legioen van Eer. Zijn staatkundige loopbaan nam een einde bij den val van het keizerrijk (4 September 1870) en hij overleed den 27sten November 1875. In 1879 werd een gedenkteeken voor hem te Creusot onthuld.

Schneider, Louis, een Duitscli tooneelspeler en schrijver, geboren te Berlijn den 29Bten April 1805, vergezelde reeds als knaap zijn vader op kunstreizen, verbond zich in 1820 aan den koninklijken schouwburg te Berlijn, en bleef er nagenoeg 30 jaar als uitstekend komiek werkzaam. Hij schreef: „Schauspielernovellen"(2 dln., 1839), „Der reisende Student", „Der Heiratsan trag auf Helgoland", „DerKapellmeister von Venedig", „Der Kurmarker und die Picarde". Onder den naam L. W. Both gaf hij het „Bülinenrepertoire des Auslandes" uit; ook redigeerde hij sedert 1833 het blad: „Der Soldatenfreund". Wegens zijn reactionnaire gezindheid, moest hij in 1848 het tooneel vaarwel zeggen, waarna Freidrich Wilhelm IV hem met den titel van Hofraad tot zijn voorlezer benoemde. Koning Wilhelm I handhaafde hem in die betrekking, belastte hem met het toezicht op zijn bibliotheek en benoemde hem in 1865 tot

geheim Hofraad. Gedurende den veldtocht van 1866 bevond hij zich als berichtgever voor den „Staats-

Sluiten