Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bei ^er uitgestrekte bezittingen heeft. Vroeger ftoorde Schonen aan Denemarken; het werd eerst 2 J den Vrede van Roeskilde (1658) voor goed aan la f n. afgestaan. Pogingen van Denemarken, de (■e te in 1709, om zich weder van dit gewest meester 'naken, bleven zonder gevolg.

_ ^Chonerer. Geora. een Oostenriiksch staats-

geboren den 17den Juni 1842 te Weenen, wijd1 Zlch aan den landbouw, waarmee hij zich op zijn 'dgoed Rosenau bij Zwettl, in Neder-Oostenrijk jjj. §°ed succes practisch bezig hield. In 1873 werd J naar den Rijksdag afgevaardigd en trad in uiterst hii richting voor de zaak der Duitschers op; ■J ,sprak zelfs van den toenemenden wensch van de Scj Sche bevolking van Oostenrijk, met het DuitWe 1 vereeni§d te worden. Hij benadeelde zijn vip» aamheid echter door buitengewone overdrijft»'? v°oroordeelen, vooral door antisemietische ha u ie.' sPeciaal onder de studenten, en kwam her^ rpeüjk met de justitie in conflict. Wegens het gev ddadig binnendringen van het gebouw van het Ue Wiener Tageblatt, dat een vervroegd bericht c'ooc* van keizer Wilhelm I had gegeven, Sjji ^ij ^en ®den Mei 18®® tot vier maand gevangestraf en verlies van zijn adellijken titel (hij was "Hdder ™„»\ „„ J „i„

Vpv y cu van. ïijjii maiiuatttodss aigevaaiuigue

../wdeeld. In 1879 en 1901 opnieuw gekozen, is i .. hij de leider van de „Alldeutsche partei." Ook \ve»^ een van de leiders van de „Los von Rom-BeoJ-T en ging zelf tot het Protestantsche geloof eer \ 1904 bedankte hij voor de waardigheid van stf/ ^er van Eger, waar hij langen tijd zijn grootdo,'1 aanhang had bezeten, omdat de gemeenteraad 2j: te Karlsbad' vertoeven den keizer begroette. fjtj' orgaan is het tijdschrift „Unverfalschte deutJi ? Worte"; ook verschenen van hem o.a.: „Zwölf

Seï-(1886) en "Fünf Reden"(1891). 1^ Ohönlein, Johann Lakas, een Duitsch geneesbar ®e' geboren den 30sten November 1793 te BamQgfi'. studeerde te Landshut, Würzburg, Jena en en ? lugen, werd in 1819 privaatdocent te Würzburg zieh in 1820 benoemd tot buitengewoon en in v^tot gewoon hoogleeraar aldaar en tot directeur Prof Juliushospitaal. In 1833 vertrok hij als hij es®or naar Zurich en in 1839 naar Berlijn, waar v°or°(1 benoemd werd tot oppermedicinaalraad, lj0r. dragend raad bij het ministerie en tot lijfarts des Phiai "S' ^859 keerde hij terug naar zijn geboorteBamberg en overleed den 23sten Januari Hatn" ^ vestigde te Würzburg de zoogenaamde H-aa^"geneeskundige school, die zich met exacte ^•'kt t'ÏI1ingen bezighield. Hij trachtte de leer van de brejl®u met de natuurlijke historie in verband te hij ^en-Door de ontdekking van defavuszwamlegde Êeni»11 ®rond voor de leer van de dermotomykosen. Uit 0nrt Van Z*P toehoorders gaven zijn voorlezingen Vip titels: „Allgemeine und spezielle Patho4 " "nd Therapie"(4 dln., 1832, 4"« druk, 1839), Sche ^ amilie der Typhen"(1840) en „Klinilin-v/o/trage im dem Charitékrankenhaus zu BerSeschr tf' ^ae dru-k:'—1844). Hij zelf heeft deze te jj, üten slechts gedeeltelijk erkend. In 1874 werd

Sc'v-g een standbeeld voor hom opgericht, gebny ' Alois, een Oostenrijksch genreschilder, eerst T Weenen den ll«en Maart 1826, bezocht V(lldt £ acac^emie aldaar en nam in 1848 aan den kci?()ï 't tegen Italië deel, sloot zich daarna bij de 'Jke legers in Hongarije aan, en ontleende

Xlv

daaraan een aantal motieven voor zijn werken. Wij noemen uit dezen tijd: „Terugkeer van de Tirolsche studenten uit het gevecht bij Ponte Tedesco"(1849), „De terugkeer van een Hongaarsche familie", „De bestorming van Lodrone". In 1850 en 1851 vertoefde hij te Parijs, reisde in 1852 in Afrika en in 1856 in Hongarije, waar hij het leven der Zigeuners gadesloeg. Daarna vestigde hij zich te Weenen.Zijn fraaiste stukken stellen taf ereelen voor uit het volksleven in noordelijk Italië. Van zijn beste kunstwerken noemen wij: „Een avond aan den Nijl", „Een Egyptische dame", „Een meisje op de slavenmarkt te Sioet", „De bouwvallen van Thebe", „Een Arabische sprokenverteller", „Een Zigeuner in OpperHongarije", „Een feest van den wijnoogst in Turkije", „Aan de kust te Genua", „De ganzenmarkt te Krakau" en „Een volksfeest op Capri". Schönn overleed den 16den September 1897 te Krumpendorf aan het Meer van Wörth.

Schonthau, Franz von, edeleFon Pemewald, een Oostenrijkschtooneeldichter, geboren te Weenen don 20st<m Juni 1849,was bestemd voor de militaire loopbaan en werd op 17-jarigen leeftijd cadet bij de Oostenrijksche marine, maar verliet na verloop van 4 jaren den dienst om zich aan het tooneel te wijden.Tevens leverde hij feuilletons, novellen in tijdschriften

en eindelijk tooneelstulcken. Kerst m 1879 maakte hij opgang met het blijspel „Das Madchen aus der Fremde". Hij verbond zieh daarop als tooneeldichter aan den Wallnerschouwburg te Berlijn. Daarop schreef hij: „Sodom und Gomorrha", vervolgens met Moser: „Der Zugvogel" en „Krieg im Frieden". Tot zijn latere stukken behooren:„Auf Tod undLeben", „Unsre Frauen"(1881, met Moser), „Der Schwabenstreich" (1882), „Roderich Heller"(1884), „Cornelius Vosz" (1888), ,,Zirkusleute"(1893), „Klein Dorrit"(1905) en een aantal andere, met Kadelberg schreef hij: ,,Goldflsche"(1886), „Der llerr Senator" enz., met Franz Koppel-Ellfeld: „Komtesse Guckerl''(1896), „Die Goldene Eva"(1896), „Florio en Flavio" enz., met Chiavacci „Aus'm Herzen heraus"(1901), met graaf Baudissin „lm bunten Rock"(1902), met zijn broeder Paul, met wien hij o.a. ook „Kleine Humoresken"^ dln., 1882—1887) uitgaf, „Der Raub der Sabinerinnen"(1885) en „Das gelobte Land"(1892). Verder schreef hij nog: „Kleine Münze. Epigramme und Sinnsprüche"(1890) en de vertelling „Der General''(1894). In 1884 werd hij hoofdregisseur in den stadsschouwburg te Weenen en na het verbranden van dezen woonde hij afwisselend te Berlijn, Brunn en Dresden. Daarna vestigde hij zich te Weenen.

School is de naam van een inrichting, waar gemeenschappelijk onderwijs gegeven wordt. Men kan de scholen verdeelen in zulke, waai een algemeene ontwikkeling gegeven wordt en in andere, die de voorbereiding voor een bepaald vak of beroep ten doel hebben. De laatste noemt men vakscholen, de eerste worden naar het aldaar gegeven onderwijs verdeeld in lagere scholen (zie Lager onderwijs), middelbare scholen (zie Middelbaar onderwijs) en hoogere scholen (zie Hooger onderwijs). Zie verder Onderwijs.

Het Latijnsche woord schola werd voor het eerst als naam voor inrichtingen van onderwijs, gebruikt te Rome in den keizerstijd, doch meer voor de ruimten en de voordrachten van de rhetoren en pliilosofen, dan in betrekking met het aan knapen gegeven onderwijs. Ook heette toen een vereeniging van geleerden of kunstenaars, die van gelijke grondbegin-

16

Sluiten