Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

formeerde kweekscholen voor de opleiding van onderwijzers en onderwijzeressen.

Schoolvoeding' en Schoolkleedingf. Art. 35 der Nederlandsche Leerplichtwet luidt: „Ter bevordering van het schoolbezoek is de gemeenteraad bevoegd voeding en kleeding te verstrekken aan schoolgaande kinderen, voor wie daaraan behoefte bestaat of met dat doel subsidie te verleenen, een en ander volgens regelen bij algemeenen maatregel van bestuur te stellen." Dit artikel werd bij amendement in de Leerplichtwet (Wet van 7 Juli 1900, Stb. 111) gebracht, hoewel de Regeering van meening was, dat art. 47 der Wet op het Lager Onderwijs deze bevoegdheid reeds gaf. Volgens de toelichting van de voorstellers van het amendement (de leden der 2ae Kamer de Boer, Fokker, Pijnacker Hordijk, van Baalte en Rink) gold het hier een maatregel, ten doel hebbende, dat het onderwijs werkelijk behoorlijk genoten kan worden.

Bevordering van het onderwijs is dus het uitgesproken doel van het artikel en geen zorg voor arme kinderen, die behoefte hebben aan kleeding of voeding. Men diene dit noch te eng, noch te wijd op te vatten. Bij de verdediging in de lste kamer maakte de Regeering haar meening daaromtrent duidelijk. Bestaat er geen vrees, dat de kinderen uit hoofde van armoede de school verzuimen, dan is verstrekking van Meeding en voedsel uitgesloten, maar de woorden „ter bevordering van het schoolbezoek" laten toe, dat de verstrekking ook plaats vinde aan kinderen, die — hoewel behoefte aan kleeding en voeding hebbende — nochtans geregeld de school bezoeken, aangezien gegronde vrees bestaat, dat in dit geval het schoolbezoek zal worden gestaakt. I

Het Kon. besluit van den 19den November 1902 (Stb. 202) zegt dan ook in art. 6: „Voeding en kleeding wordt alleen verstrekt aan kinderen, die, uit hoofde van gebrek aan voeding of kleeding, niet of niet trouw ter school komen, of van wie het te ver¬

wachten is, dat zij, zonder verstrekking van voeding of kleeding, niet geregeld de school zullen blijven bezoeken. Verstrekking van voeding en kleeding mag niet anders dan rechtstreeks aan de kinderen zeiven plaats vinden."

Schoolvoeding en -kleeding hebben dus ten onzent niet het karakter van armenzorg, terwijl het aan den anderen kant de bedoeling des wetgevers niet was het onderwijs vruchtdragender te maken. Dat blijkt ook reeds uit de verwerping van het amendement der socialistische kamerleden van Kol, Schaper en Troelstra, dat naast het ongeregeld schoolbezoek ook als grond voor verstrekking van voedsel en kleeding noemde de omstandigheid, „dat het kind verhinderd (is) in voldoende mate het onderwijs te volgen."

Tal van gemeenten hebben van deze bevoegdheid gebruik gemaakt, meestal door het toestaan van subsidies aan vereenigingen, die zich kindervoeding en -kleeding ten doel stellen. Het rechtstreeks verstrekken van voedsel en kleeding van gemeentewege is uitzondering gebleven. Toen in Nederland de wet uitdrukkelijk de bevoegdheid dér gemeenten op dit terrein erkende, was de kindervoeding en kleeding reeds lang geen onbekende zaak. In een aantal gemeenten bestonden toch bijzondere vereenigingen, die zich naar het voorbeeld van het buitenland met deze taak hadden belast. Deze vereenigingen ontstonden ten onzent in de jaren 1880— 1890. (Groningen ^ 1880, Amsterdam 1884, 's Gra-

venhage 1884, Rotterdam 1885, Utrecht 18'8 )'

Volgens het Rijks-onderwijs verslag over 1908 ff den schoolvoeding en schoolkleeding verschaft in gemeenten van ons land. Onmiddellijk van gefflef tewege had deze verschaffing plaats in 13 gemeen tot een bedrag van 21 726 gld. (in 1907:17 677 gl r Door subsidieering van gemeentewege werd da» voorzien in 31 gemeenten tot een bedrag 48 784 gld. (in 1907: 43 367 gld.). De totale uitgaf van gemeenten voor dit doel bedroegen dus 70 0 gld. (in 1907: 61,045 gld.). Hiervan kwam voor kening van Amsterdam 25 614 gld., van 's Graf hage 15 816 gld., van Utrecht 6795 gld. en v Groningen 5590 gld. *

De instelling van schoolvoeding en schoolkleed^» is in geheel Europa bekend, doch niet overal op , zelfde wijze geregeld. Alleen in Frankrijk, Eng"a en Zwitserland is van eene algemeene regeling SP ke. In Duitschland zijn het ten deele vrijwillige v,er eenigingen, ten deele de gemeenten, die de zaak hand namen. De wetgever echter bemoeit zich B* de lokale regelingen niet. In Frankrijk bestaan ^ Caisses des écoles sedert de wet van 1867, terwij1 leerplichtwet van 1882 aan de gemeenten de v plichting oplegt tot het stichten van deze kass ^ waaruit de schoolkantines worden betaald groote subsidies van staatswege. In Engeland sc{jrl' j. de Provision of meals act van 1906 Voor, dat de s0!1^ raden uitmaken of de schoolvoeding kan geschili door vrijwillige vereenigingen of door de gemeen ' In Zwitserland hebben verschillende kantons dej' plichte kindervoeding ingevoerd, terwijl het i»' desgesetz betreffend die Unterstützung der offent»6'1 Primarschule van 1903 deze verplichting aan kantons oplegt met de belofte van staatssubsio ■ School voor maatschappelijk

een inrichting van onderwijs te Amsterdam, 13 J r6 deeld in 2 af deelingen. Cursus A beoogt hoog ontwikkeling van jonge vrouwen, Cursus B ne. . de stelselmatige, theoretische en praktische vor!ï:ej° van hen ten doel, die zich aan eenigen belangrijk tak van maatschappelijk werk willen wijden, laatste omvat: opzichterschap van arbeiders gen, kinderverzorging, armenzorg, Toynbeeffe ' bibliotheekwerk en arbeidsinspectie. Zoowel ni ^ nen als vrouwen kunnen als leerling aangenoö1 worden; de meeste cursussen zijn ook voor toeW ders toegankelijk. De cursus duurt 2 jaar. > cursus A bedraagt de minimumleeftijd van dei

lingen 18 jaar, voor cursus B 23 jaar. eeJ)

Schoonebekerdiep is de naam van. .e beekje in het graafschap Bentheim en in de ProV1® ,ce Drente, dat gedeeltelijk de grens tusschen deze > e streken vormt, en bij Koevorden in de Vecht uitmondt. . gen

Schoone kunsten of Vrije Kunsten is ^ naam, dien men gebruikt ter onderscheiding v®T;clt nuttige of onvrije kunsten. In de aesthetica d ej men met kunst de schoone kunsten aan. Het j, van de schoone kunsten is alleen een aestliet welbehagen op te wekken. Daartoe behooren v de beeldhouwkunst, de schilderkunst, de inUaast de dichtkunst enz., de nuttige kunsten hebben B ^ het veroorzaken van aesthetisch welgevallen 00K ^ praktisch doel, zooals bijv. de kunstnijverheid e bouwkunst.

Schooner. Zie Schoener,

Schoonheid. Zie Aesthetiék,

Sluiten