Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woorden of deelen van woorden zichtbaar voorstelt, met het doel de door de woorden uitgedrukte voorstellingen duurzaam te maken. Elk schrift, dat op een natuurlijke wijze ontstaan is, vindt zijn oorsprong in beeldenschrift (zie aldaar). Het voordeel van het beeldenschrii't boven het letterschrift is, dat het de zaak, niet het woord weergeeft, zoodat de kennis van een bepaalde taal voor liet begrijpen niet noodig is. Daartegenover staat dat het aantal beelden voor het onbeperkt aantal voorstellingen oneindig groot moet zijn, terwijl het meerendeel der voorstellingen zich slecht door beelden laat weergeven. Daardoor blijft de uitdrukking onbeholpen en is het leeren zeer moeilijk. Sommige beeldschriften zijn op den laagsten trap blijven staan, andere hebben zich ontwikkeld. De beelden werden afgekort, ze werden met elkander verbonden en op verschillende wijzen met elkander in verband gebracht, zoodat bijv. bij de Chineezen reeds omstreeks 3000 v. Chr. een volledig woordenschrift ontstaan was, waarin elk woord een afzonderlijk teeken had. Ook vond de gewoonte ingang een teeken voor een bepaald woord voor een ander gelijkluidend woord te gebruiken, waardoor een soort rebusschrift ontstond. Tot deze meer ontwikkelde beeldschriften behooren, behalve dat van de Chineezen (zie Chineesche Taal en Letterkunde), waaruit o. a. het Japansch alphabet is afgeleid, verschillende hiëroglyphenschriften (zie aldaar) en het spijkerschrift (zie aldaar). Van deze heeft zich alleen het Egyptisch hiëroglyphenschrift tot een werkelijk letterschrift ontwikkeld, tot een zuiver alphabetisch schrift zijn zij echter niet gekomen. Dezen laatsten stap hebben de Phoeniciërs gedaan. Eigenlijk is het Phoenicisch schrift een lettergrepenschrift, echter met deze eigenaardigheid, dat een lettergreep alleen door medeklinkers wordt voorgesteld; de lezers moeten de klinkers zelf aanvullen. Uit het Phoenicisch zijn bijna alle alphabets van de beschaafde volkeren voortgekomen. Zie verder Alphabet. Men onderscheidt bij het schrift in de eerste plaats drukletters en schrijfletters; verder maakt men verschil tusschen antiqua (zie aldaar) en fractuurschrift (zie aldaar). Zie ook Schrijfkunst.

Schrift, Heilige. Zie Bijbel.

Schriftgeleerden (Sopherim) noemt men inzonderheid in de eerste eeuwen van het tweede Joodsche staatsleven de schriftverklaarders en leeraren van de Wet, die door Esra en de „mannen van de groote vergadering" (Kenesselh hagedola) vertegenwoordigd waren, door zelfstandige maatregelen (Takkanot) de Mozaïsche wet beschermden en de voortzetting van de zoogenaamde mondelinge leer in overeenstemming brachten met de nieuwe staatkundige toestanden. In het Nieuwe Testament worden schriftgeleerden meestal samen genoemd met de Pharizeeërs ?ils de godsdienstige leiders van het volk en de autoriteiten van de Wet.

Schrik is een onaangename gewaarwording, die men vooral ondervindt door de plotselijke waarneming van gevaarlijke omstandigheden. Zijn werking kan verlammend en krampwekkend zijn en ook aansporen om het dreigend gevaar te ontvluchten. Door schrik veroorzaakte krampen (vallende ziekte, St. Vitusdans, asthma enz.) komen dikwijls regelmatig terug en zijn dan ongeneeslijk. Het schrikken der kinderen gedurende den slaap behoort niet tot de onrustbarende verschijnselen, en ook bij volwas¬

sen personen komt het voor na inspanning, na het overladen van de maag en na het rooken van zware sigaren. Evenals alle sterke aandoeningen, werkt schrikken aanstekelijk. Wanneer groote menschenmassa's tegelijkertijd daardoor aangetast worden, spreekt men van een panische schrik.

Schrikbewind (Terreur) noemt men het tijdperk van de Fransche Revolutie (zie aldaar), waarin de Jacobijnen, na het onderdrukken van de Girondijnen (2 Juni 1793), de heerschappij bezaten, die zij door tallooze terechtstellingen en andere gewelddadige maatregelen handhaafden. Deze periode eindigde met den val van Robespierre (27 Juli 1794).

Schrikkeljaar is in onze gewone jaartelling een dag langer dan een gewoon jaar, welke dag aan de maand Februari wordt toegevoegd. Alle jaren, wier jaartal door 4 deelbaar is, zijn schrikkeljaren. Hiervan echter zijn uitgezonderd die eeuwjaren, wier eeuwcijfer niet door 4 deelbaar is, zoodat van elk 4-tal eeuwjaren slechts een schrikkeljaar is. Bij de tijdrekening naar maanjaren, zooals in den Joodsclien kalender, duurt het schrikkeljaar een volle maand langer.

Schrobbe. Zie Vischtuigen.

Schrobnet. Zie Vischtuigen.

Schröder, Gerhard, een Nederlandsch rechtsgeleerde, geboren te Leiden den 308,en Mei 1708, studeerde aldaar in de letteren en in de rechten, werd eerst praeceptor, daarna conrector te Delft, en zag zich in 1744 benoemd tot hoogleeraar in de rechten te Harderwijk. Hij bekleedde er meer dan eenmaal de betrekking van rector magnificus en overleed den 16den December 1762. Hij schreef onderscheiden geestige vertoogen en dichtstukken in „De Hollandsche Spectator," en deed, behalve eenige „orationes", een aantal Latijnsche gedichten in het licht verschijnen.

Schröder, Johan Frederik Lodewijk, een Nederlandsch geleerde, geboren den 31slcn October 1774 te Dornberg in Westfalen, begaf zich op 13jarigen leeftijd naar zijn broeder, heelmeester te Amsterdam, om voor den handel te worden opgeleid, doch studeerde vervolgens aan het athenaeum te Amsterdam in de theologie en aan de hoogeschool te Halle en werd in 1798 proponent bij het Luthersche Kerkgenootschap. Ook legde hij zich toe op de wis- en natuurkunde, zoodat zijn antwoord op een astronomische prijsvraag van de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen met goud werd bekroond. Hij werd in 1803 geplaatst aan het hoofd van 's lands zeevaartkundige school. Na negen jaren dienst werd die inrichting opgeheven en Schröder op wachtgeld geplaatst, waarna hij zich te Amsterdam vestigde. In 1816 werd hij benoemd tot hoogleeraar in de wis- en natuurkunde te Utrecht en aanvaardde dat ambt met een oratie: „De majoribus corporum coelestium permutationibus, quatenus ex iis progressum naturae in his corporibus formandis suspicari licet". Behalve de wiskunde onderwees hij er logica, metaphysica en anthropologie. Hij was ridder der Orde van den Nederlandschen Leeuw, secretaris van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap, lid van de l8te en 3de klasse van het Koninklijk Nederlandsch Instituut en van de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden. Hij overleed als rustend hoogleeraar te Utrecht den 20s4en Maart 1845. Behalve onderscheiden opstellen in tijdschriften schreef hij o. a.: „Over den aard der zielkunde en

XIV

17

Sluiten