Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in het land van Munster, bezocht de gymnasia te Munster en Osnabrück, studeerde te München, Heidelberg en Göttingen in de rechten, maar bepaalde zich in 1837 bij letterkundigen arbeid en vestigde zich te Munster. In 1842 belastte hij zich met de opvoeding van de beide zonen van prins Wrede, trad het volgende jaar in het huwelijk met Luise von Gall, nadat hij lid der redactie van de „Allgemeine Zeitung" te Augsburg geworden was, en vertrok in 1845 naar Keulen, waar hij tot 1852 het feuilleton der „Kölnisclie Zeitung" redigeerde. Na dien tijd woonde hij bij afwisseling op zijn buitenverblijf Sassenberg bij Warendorf en te Munster en deed reizen naar Engeland en Italië. Hij overleed te Pvrmont den 31sten Augustus 1883. Van zijn werken noemen wij: „Ein Schlosz am Meer"(2 dln., 1843), „Die Ritterbürt,igen"(3 dln., 1845), ..Eine Römerfahrt" (1848), „Ein Sohn des Volks"(2 dln., 1849), „Der Bauernfürst"(2 dln., 1851), „Die Sphinx"(1856), „Paul Bronckhorst"(3 dln., 1859), „Die Rheider Bure"(2 dln., 1859), „Die Marketenderin von Köln', f3 dln., 1861), „Annette von Droste, ein Lebensbild" (1861. 2fle druk, 1871), „Verschlungene Wege"(3 dln.. 1867), „Die Malerin aus dem Louvre"(4 dln., 1869). „Luther in Rom"(3 dln., 1870), „Deutsche Kampfe"(2 dln., 1871), ..Die Heiligen und die Ritter"(4 dln., 1873), „Die Herberge der Gerechtigkeit" (2 dln., 1878) en „Lebenserinnemngen"(2dln., 1886). Hij schreef ook een aantal gedichten en novellen. Van zijn romans verschenen een aantal als bloemlezing. Zijn briefwisseling met Annette von DrosleHülshoff werd in 1893 uitgegeven.

Schücking, Louise, geboren Von Gall, de echtgenoote van den voorgaande, geboren den 19aen September 1815 te Darmstadt, overleden den 16den Maart 1855, schreef: „Frauennovellen"(2 dln., 1845), „Frauenleben"(2 dln., 1856), „Gegen den Strom"(2 dln., 1851), „Der neue Kreuzritter"(1853) en het blijspel: „Éin schlechtes Gewissen"(1842). Met haar man leverde zij: „Familienbilder"(2 dln., 1854) en „Familiengeschichten"(2 dln., 1854).

Schuim is de naam van een verzameling luchtblaasjes, welke door dunne vloeistofhuidjes van_ elkander gescheiden worden. Men verkrijgt schuim, als men door een eenigszins taaie vloeistof luchtbellen laat opstijgen; deze verzamelen zich dan aan de oppervlakte, begrensd door een vloeistofhuidje; zij nemen de gedaante van sferische of sferoïdische segmenten aan, welke bij wederkeerige aanraking in veelhoeken veranderen. Zeer rijkelijk wordt schuim gevormd, als een vloeistof onder een hooge drukking een gas in opgelosten toestand bevat en de drukking plotseling wordt opgeheven, doordat zich dan in de vloeistof tallooze gasbelletjes vormen. Op die wijze schuimt mineraalwater; champagne, bier enz.; hoe taaier daarbij de vloeistof is, des te consistenter is het schuim. Op dezelfde wijze schuimen vele vloeistoffen bij het verwannen, waarbij in de vloeistof vele dampbelletjes worden ontwikkeld. Men kan echter ook schuim verkrijgen, doordat men vloeistoffen in half gevulde vaten met lucht schudt. Gummi eiwitstoffen, welke de vloeistoffen slijmerig maken, bevorderen de schuimvorming, vooral echter zeep en saponine. Zeer hinderlijk is het schuimen in de techniek, bijv. bij het koken van sap van suikerbieten. Om het te onderdrukken, voegt men een weinig boter of paraffine toe. Ook brengt men wel boven den spiegel van de kokende vloeistof een stoompijp met

talrijke fijne openingen, waaruit stoom onderdrukking in horizontale stralen stroomt. In de keuken worden room en eiwit tot schuim geslagen, doordat men de vloeistof, door middel van een roede of een snel draaiend uit draden bestaand toestel, innig met lucht tracht te mengen.

Schuimbeestjes zijn insekten, welke tot de orde der Hemoptera (Haljvleugeligen) en de familie der Cicadida behooren. Zij ontleenen hun naam aan het schuim, dat door de larven wordt afgescheiden en waarmede zich deze bedekken. Reeds lang had men in Mei en Juni hoopjes schuim op de twijgen, stengels en bladeren van vele planten waargenomen zonder daarvan den oorsprong te kennen, totdat men daarin gele, groene of witte larven vond met zwarte oogen en lange pooten. Is dit diertje verveld, dan scheidt het geen schuim meer af. Het heeft alsdan een driehoekigen kop, zuigende monddeelen, een blaasvormig of rimpelig aangezicht, 2 zeer fijne sprieten, 2 lederachtige voor- en 2 vliezige achtervleugels, achterschenen met 2 groote dorens in het midden en een krans van kleine dorens aan het einde, en tarsen met 3 leden. Zij hebben de grootte eener vlieg en kunnen ver springen. Zij vormen het geslacht Aphropliora. In ons land heeft men A. spumaria, grijs met witte banden op de vleugels en uitsluitend op wilgen voorkomende, en A. bifasciata, kleiner dan de voorgaande soort en op allerlei planten te vinden.

Schuimg'Oud is een andere naam voor bladgoud. Zie Geslagen goud.

Schuimkalk bestaat uit in dolomiet voorkomende massa's, welke men stuk kan wrijven en uit zuivere koolzure kalk (aragoniet) bestaan. Zij vormen een omzettingsprodukt van zwavelzure kalk (gips). Evenwel worden ook oorspronkelijke kalksteenen, met vuilgele of roodachtige kleur, welke in de onderste afdeeling van de schelpkalkformatie voorkomen en zich door fijn poreuze stnictuur onderscheiden, schuimkalk genoemd. Deze laatste soort schuimkalk levert een uitstekenden bouwsteen.

Schuimwijn (mousseerende wijn). Zie Wijn.

Schuingetinneerd kruis noemt men in de wapenkunde een kruis met tinnen, die onder een hoek van ± 45° hellen.

Schuinkruis noemt men in de wapenkunde een kruis in een wapen, dat door een band en een baar gevormd wordt.

Schuitendiep is de naam, die wel aan het westelijkste gedeelte van het Winschoterdiep (zie aldaar) wordt gegeven.

Schuja, een arrondissementshoofdstad in het Europeesch-Russisch gouvernement Wladimir, ligt aan de Tesa en aan den spoorweg van Nowki naar Kinesjma, telt 22 927 inwoners en bezit een belangrijke katoennijverheid, evenals de omliggende plaatsen. Verder wordt er een aanzienlijke handel in schapenvachten en handschoenen gedreven.

Schuld (debitum) is hetgeen iemand op grond van het recht gehouden is voor een ander te doen of aan hem te geven — vooral in geld of geldswaarde — in overeenstemming met de vordering van den schuldeischer. In het koopmansboek draagt schuld den naam van debet en schuldvordering dien van credit. Men spreekt van hypothecaire schuld, wisselschuld, boekschuld enz. — Voorts is gehuld (culpa) het verband tusschen 's menschen handeling en een krenking van recht en wet. Op zedelijk gebied noemt

Sluiten