Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bum". Van zijn overige werken noemen wij: „Anthologia sententiarum arabicanim"(1772) en „Meidanü proverbiorum arabicorum pars"(1796). Hij overleed te Leiden den 12del1 Augustus 1793.

Schultz, Amélie Cécile Augustine Jeanne, een Fransch schrijfster, geboren in 1870 te Parijs, schreef anoniem „Cinq minutes d'arrêt"(1889), „Les Fianijailles de Gabrielle"(1889), „Jean de Kerdren"(1890), „Neuvaine de Colette" en een aantal andere novellen, en maakte zich eerst bekend, toen een ander beweerde de schrijfster van deze verhalen te zijn. Vervolgens werd zij medewerkster aan een aantal tijdschriften en dagbladen. Van haar romans en novellen noemen wij nog: „Tout droit" (1890), „La Familie Hamelin"(1891), „Le Dernier Tour de 1'enchanteur Merlin"(1892), „Ce qu'elles peuvent", „Les Rameaux de Frangois", „Notes de Tunis"(1895), „Petite plage et Bonnets de coton" (1896), ,,Entrevue"(1897) en „La Main de sainte Modestine"(1898).

Schultze, Max, een Duitsch ontleedkundige, geboren te Freiburg in de Breisgau den 25sten Maart 1825, studeerde te Greifswald en te Berlijn in de geneeskunde en vestigde zich in 1850 als privaatdocent te Greifswald. Sedert 1848 hield hij zich bezig met het onderzoek der turbellariën, schreef daarover een verhandeling (1851) en begaf zich in 1853 naar Italië, om zich aan de kust der Adriatische Zee aan dierkundige nasporingen te wijden. Daarop verscheen zijn voortreffelijk werk: „Ueber den Organismus der Polythalamiën" (1854). In 1854 ging hij als buitengewoon hoogleeraar naar Ilalle en begon hier met zijn studiën over de wijze, waarop de uiteinden der zenuwen met de zintuigen in verband staan. In 1859 vertrok hij als hoogleeraar naar Bonn, waar onder zijn leiding een nieuw gebouw voor de ontleedkunde opgericht werd. Verder hield hij zich bezig met den bouw van het netvlies en van het slijmvlies van den neus, deed op een uitstap naar Parijs en Nederland onderzoek naar den aard der hyalonemen, bracht een totale wijziging in de leer van de cellen en verkondigde in zijn boek: „Ueber Muskelkörperchen und das was man eine Zelle zu nennen habe"(1861) voor het eerst, dat men het vlies (membranum) niet tot de celweefsels moet rekenen. Tevens ontwikkelde hij nieuwe denkbeelden over de intercellulaire zelfstandigheid en leverde ook belangrijke geschriften over de bewegingen van het protoplasma. In 1866 richtte hij het „Archiv für microscopische Anatomie" op. Hij overleed te Bonn den 16den Januari 1874. Van zijn overige geschriften vermelden wij: „Beitrage zur Kenntnis der Landplanarien"(1857), „Zur Kenntnis der elektrisclien Organe der Fische" (1858), „Die Hyalonemen"(1860), „Das Protoplasma der Rhizopoden und der Pflanzenzellen"(1863), „Observationes de ovorum ranarum segmentatione" (1863), „Zur Anatomie und Physiologie der Retina"

(1867), „Ueber die zusammengesetzten Augen der Krebse und Insekten"(1868) en „Observationes de structura cellularum fibrarumque nervearum"

(1868).

Schultze, Bemhard, een Duitsch geneeskundige, een broeder van den voorgaande, geboren den 296ten December 1827 te Freiburg in de Breisgau, studeerde te Greifswald en te Berlijn, vestigde zich te Greifswald als privaatdocent, werd in 1854 assistent in de verloskunde te Berlijn en in 1858 benoemd tot hoogleeraar in de verloskunde en tot directeur^van de

kraamvrouweninrichting te Jena. In 1903 nam hij zijn emeritaat. Behalve vele belangrijke opstellen in tijdschriften schreef hij: „Lehrbuch der Hebammenkunst"(1860, 13de druk 1904), „Wandtafeln zur Schwangerschafts- und Geburtskunde"(1865, 2de druk 1892), „Der Scheintod Neugeborner"(1870), „Pathologie und 'Ilierapie der LageveranderungenderGebarmutter"(1881) en „Unser Hebammenwesen und das Kindbettfieber"(1884).

Schultze, August Sigismund, een broeder der beide voorgaanden, geboren te Greifswald den 28"ten April 1833, werd hoogleeraar in de rechten te Straatsburg en schreef: „Die Verleitung zum falschen Eide"(1870), „Die Nebenintervention im Zivilprozesz"(1880), „Das deutsche Konkursrecht in seinen juristischen Grundlagen"(1880), „Privatreclit und Prozesz in ihrer Wechselbeziehung"(1883) en „Zivilprozeszrechtsfalle ohne Entscheidungen" (1891).

Schultze, Fritz, een Duitsch beoefenaar der wijsbegeerte, geboren den 7aen Mei 1846 te Celle in Hannover, bezocht in 1865 de universiteit te Jena, studeerde er eerst in de rechten, daarna in de wijsbegeerte en zette deze studie voort te Göttingen en te München. Inmiddels schreef hij: „Die Tierseele" (1868) en „Der Fetischismus"(1871), vestigde zich in het najaar van 1871 als privaatdocent te Jena, werd er in 1875 buitengewoon hoogleeraar en zag zich in 1876 benoemd tot gewoon hoogleeraar aan de polytechnische school te Dresden, waar hem in 1879 ook het professoraat in de paedagogiek opgedragen werd. Van zijn overige werken noemen wij: „Geschichte der Philosophie der Renaissance"(dl. 1, 1874; dl. 2, 1875), „Ueber dasVerhaltnis der griechischenNaturphilosophie zur modernen Naturwissenschaft"(1877 —1878), „Philosophie der Naturwissenschaft"(2 dln., 1888), „Stammbaum der Philosophie" (1890), „Vergleichende Seelenkunde"(dl. 1, twee stukken, 1892—1897), „Psychologie der Naturvölker"(1900) en „Credo und Spera"(1906). Hij was een vertegenwoordiger van de nieuw-Kantiaansche richting. Hij overleed den 22Bten Augustus 1908 te Dresden.

Schultz Jacobi, Johannes Christoffel. Zie Jacóbi, Johannes Christoffel Schultz.

Schulz, Albert, een Duitsch geleerde, die onder den naam San Marte een aantal werken over de Middeleeuwsche letterkunde schreef, werd geboren te Schwedt den 18den Mei 1802 en werd in 1843 regeeringsraad in het provinciaal collegie van onderwijs te Maagdenburg. Hij heeft zich vooral verdienstelijk gemaakt door zijn nasporingen omtrent den Sagenkring van Artur en de Tafelronde. Van zijn geschriften noemen wij „Parzival"(in „Leben und Dichtungen Wolframs von Eschenbach", 2 dln., 1836—1841), „Die Artursage und die Marchen des Roten Buches von Hergest"(1842), „Nennius und Gildas"(1844), „Beitrage zur bretonischen und keltisch-germanischen Heldensage"(1847), „Die Sagen von Merlin"(1852), „Walter von Aquitanien"(1853), „Gottfrieds von Monmouth Historia regum Britanniae"(1854), „Parzivalstudien"(3 stukken, 1860— 1862), „Reimregister zu den Werken Wolframs von Eschenbach"(1867), „Zur Waffenkunde des altern deutschen Mittelalters"(1867), „Ueber Wolframs von Eschenbach Rittergedicht Wilhelm von Orange"(1871), „Rückblicke auf Dichtungen und Sagen des deutschen Mittelalters"(1872), „Die polnische Königssage"(1848), „Polens Vorzeit in Dichtung und

Sluiten