Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ter"(1902), „Drei Freundinnen"(1903), „Demoiselle Engel"(4de druk, 1906), „Magnus Collund"(1904), „Hinter den Waldern"(1906) enz. Ook maakte zij zich naam door haar jeugdgeschiedenissen („Jugendparadies", „Tiny und Tinys Gespielen", „Aus dem goldenen Buche" enz.).

Schum. is bij plantennamen de afkorting van Christian Friedrich Schumacher.

Schumacher, Heinrich Christian, een DuitschDeensch sterrenkundige, geboren den 3den September 1780 te Bramstedt in Holstein, studeerde in de rechten te Kiel, daarna in de wis- en sterrenkunde te Kopenhagen en te Göttingen, werd in 1810 buitengewoon hoogleeraar in de sterrenkunde te Kopenhagen, in 1813 directeur van de sterrenwacht te Manlieim, in 1815 gewoon hoogleeraar in de sterrenkunde te Kopenhagen, maar vertoefde doorgaans op de sterrenwacht te Altona, waar de koning in 1823 een sterrenwacht liet bouwen. Schumacher werd in 1817 belast met de graadmeting in Denemarken, welke in Hannover door Gausz is voortgezet. In 1820 werd hem door het Genootschap van Wetenschappen te Kopenhagen de taak toevertrouwd, Holstein en Lauenburg op te meten en in kaart te brengen. In 1824 bepaalde hij, in verband met het Engelsche

Board of longitude, net ïengteverscnu tusscneii .altona en Greenwich en in 1830 deed hij op het kasteel Gyldensteen op Funen waarnemingen omtrent de slingerbeweging, om een grondslag te verkrijgen voor de Deensche lengtemaat. In 1822 richtte hij de „Astronomische Nachricliten" op. Verder schreef hij „Astronomische Abhandlungen"(3 dln., 1823— 1825) en „Astronomische Jalirbücher" (1836—1844). Hij overleed den 28Bten December 1850 te Altona. Zijn briefwisseling met Gausz gaf Peters uit.

Schumann, Róbert, een Duitsch componist, geboren den 8"ten Juni 1810 te Zwickau, was de zoon van een boekhandelaar en gaf reeds vroeg blijken van talent voor muziek en letterkunde. Hij was van plan, zich geheel aan de muziek te wijden, doch zag, volgens den wensch van zijn moeder, daarvan af, toen in 1826 zijn vader overleed. Hij bezocht de hoogeschool te Leipzig, om in de rechten te studeeren, doch wijdde zich sedert

1830 geheel aan de muziek en ontving onderwijs in het pianospel van Friedrich Wieck. Een verlamming van zijn rechterhand noodzaaktehemzijn studie te laten varen, waarna hij zich geheel aan de compositieleer wijdde,eerstonder leiding van Heinrich Dom (1831—1832), daarna als autodidact. Sedert 1831 verschenen zijn composities in druk, terwijl hij ook een aantal werken over de

muziek schreef. In 1834

stichtte hij de „NeueZeitschrift für Musik", welke hij tot 1844 redigeerde en waarin hij als leider van de romantische richting in de muziek outrad. In het begin van 1839 vertrok hij

naar Wennen, maar keerde na weinige weken naar Leipzig terug en trad in 1840 in het huwelijk met de

dochter van zijn leermeester vviecic. 111 uezen uju componeerde hij ook liederen, werken voor orkest,

Schumann.

kamermuziekwerken en het groote werk „Das Paradies und die Peri"(1843). Bij de stichting van het conservatorium te Leipzig in 1843 werd hij met Mendelssohn met een gedeelte van het onderwijs in d« compositie belast. Reeds in het volgende jaar echter gaf hij deze betrekking weer op en deed met zijn vrouw een kunstreis naar Rusland. Na zijn terugkeer vestigde hij zich te Dresden, waar hij in 1847 de directie van de liedertafel en in 1848 die van een gemengd koor op zich nam. Nadat in laatstgenoemd jaar zijn opera: „Genoveva" te Leipzig opgevoerd was, vertrok hij in 1850 met zijn gezin naar Düsseldorf, waar hij de betrekking van muziekdirecteur aanvaardde, doch een zenuwziekte noodzaakte hem ze in 1853 neer te leggen. Den 278ten Februari trachtte hij een einde aan zijn leven te maken door in den Rijn te springen. Wel werd hij gered, doch zijn verstand was geheel verdwenen. Hij vertoefde nog twee jaar in het gesticht Endenick bij Bonn, waar hij den 29sten Juli 1856 overleed.

Schumann bezat een buitengewoon talent voor de lyriek, waardoor hij vooral in het lied en in kleinere werken voor piano uitmuntte. Li het lied knoopte hij bij Schubert aan. Zijn „Liederkreise", „Gedichte von

Rückert , „f rauenüebe und Leben en „Uicnter-

liebe" nemen een eerste plaats in onder de Duitsche

liederen, van zijn pianowerken noemen wij: .,i\o-

velletten , „Karneval , „Phantasiestucke , „Kieis-

leriana" en „Kmderszenen . Hij schreef verder 4 symfonieën, een ouverture, scherzo en finale, 4 ou¬

vertures, 3 stri]KKwarteiien, een pianoKwmiei, een pianokwartet, 3 pianotrio's, 2 vioolsonates en werken voor koor, zooals „Das Paradies und die Peri", „Der Rose Pilgerfahrt" en „Szenen aus Goethes Faust". Een nieuwe uitgave van zijn werken ondernamen Breitkopf en Bartel. Zijn critisch-aesthetische werken verschenen onder den titel: „Gesammelte Schriften über Musik und Musiker"(4 dln., 1854).

Schumann, Klara Josephine, een Duitsch pianiste, geboren den 13aen September 1819 te Leipzig als dochter van den pianoleeraar Friedrich Wieck, ontving sedert haar vijfde jaar van haar vader pianoonderwijs en trad in 1828 voor het eerst in een openbaar concert op; theoretisch onderwijs ontving zij van den muziekdirecteur Kupsch en van H. Dorn. Sedert 1830 deed zij zich op groote concertreizen kennen als een van de beste pianisten van haar tijd. In 1840 huwde zij met Robert Schumann, wiens werken zij uitstekend vertolkte. In 1863 vestigde zij zich te Baden-Baden, vertoefde later tijdelijk te Berlijn en was van 1878—1892 met schitterend resultaat als leerares aan het Hochsche conservatorium te Frankfort a. M. werkzaam. Ook in de compositie slaagde zij goed; ongeveer 20 van haar werken zijn in druk verschenen (waaronder liederen, een concert en een trio voor piano, preludes en fugen). Zij overleed den 20sten Mei 1896 te Frankfort a. M.

Schumann, Johann Christian Gottlob, een Duitsch paedagoog, geboren den 3dcn Februari 1836 te Gröbitz (distrikt Weiszenfels), studeerde in de godgeleerdheid en letterkunde te Greifswald en Halle, was opvoeder aan een weeshuis te Halle, in 1861 hofkapelaan en rector te Wernigerode, in 1866 directeur van een seminarium te Osterburg, in 1870 te Alfeld, in 1881 regeerings- en schoolraad te Trier, in 1892 te Maagdenburg, trok zich in 1900 in het ambtelooze leven terug en overleed den 208,e'1 Juni 1900 te Wernigerode. Hij schreef: „Geschichte-

Sluiten