Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bevel over het leger der Verbonden Mogendheden aan den Bovenrijn, ontwierp met Blücher en Wellingion, het operatieplan, doch verscheen te laat op het slagveld om aan de overwinning deel te nemen. Bij zijn terugkeer te Weenen werd hij tot voorzitte-r van den Hofkrijgsraad benoemd en met onderscheiden goederen begiftigd. Hij overleed te Leipzig den 15den October 1820. In 1848 verrees bij Leipzig een gedenkteeken te zijner eer, en in 1867 werd te Weerien zijn ruiterstandbeeld (van Hahnel) onthuld.

Schwarzenberg, Felix, prins von, een Oostenrijksch staatsman, geboren den 2den October 1800 te Krumau, trad in 1818 als kadet in dienst bij een Oostenrijksch kurassierregiment, ging daarna tot den diplomatieken dienst over en vertrok in 1824 als gezantschapsattaché naar Petersburg. In 1826 ging hij als gezant naar Londen en na een geruchtmakende geschiedenis, waarin lady Ellenborough betrokken was, met baron Neumann naar Brzailië. Na zijn terugkeer was hij bij verschillende ambassades werkzaam, namelijk: te Parijs en te Berlijn, in 1838 te Turijn en in Parma, en in 1846 te Napels. In 1848 nam hij, tengevolge van het oproer te Napels zijn ontslag en aanvaardde daarop als generaal-majoor het opperbevel over de brigade onder Nugent in opper-ltalië, streed bij Curtatone en Goito en werd bevorderd tot luitenant-veldmaarschalk. Na het dempen van den October-opstand te Weenen werd hij den 22Bten November 1848 aan het hoofd van het ministerie geplaatst. Zijn ideaal was een militairabsolutistische, onverdeelde Oostenrijksche staat. Door een verbond met Rusland vernietigde hij den opstand in Hongarije en deed de Pruisische eenheidspolitiek schipbreuk lijden. Hij verbond verder de Duitsche Middenstaten nauw met Oostenrijk, herstelde den Bondsraad en vernederde Pruisen door het verdrag van Olmütz. Hij overleed den 5den April 1862.

Schwarzwald. Zie Zwarte Woud.

Schwatka, Frederik, een Noord-Amerikaansch poolvorscher, geboren den 298ten September 1849 te Galena (Illinois), bezocht de militaire academie te West-Point, nam deel aan de gevechten tegen de Sioux en trok van 1878—1880 om de overblijfselen van de Franklin-expeditie op te sporen met Gilder, Kluiscltak en twaalf Eskimo's naar de monding van de Groote Vischrivier en naar King Williamlatid, zonder echter de verwachte geschriften te vinden. In den zomer van 1883 onderzocht Sdkwatka den bovenloop van den Yukon, terwijl hij tot haar brongebied van het Lynnkanaal in Alaska uit doordrong en de rivier op een flot afvoer. Op een tweede expeditie naar Alaska poogde hij te vergeefs den top van den Eliasberg te bereiken. In 1889 bezocht hij het N. van Mexico. Hij schreef: „Report of a military reconnaissance in Alaska" {1885), „Along Alaska's Great River"(1885), „Nimrod in the North, or hunting and fishing adventures in the Artic regions"(1885), „The children of the cold" {2de druk, 1902), „Summerin Alaska"(1891) en „In the land of cave and cliff dwellers"(1893). Hij overleed den l8ten November 1892 te Portland (Oregon).

Schwechten, Franz, een Duitsch architect, geboren den 12der> Augustus 1841 te Keulen, kwam in 1860 als leerling bij den stadsbouwmeester Raschdorff, bezocht in 1861 de bouwacademie te Berlijn, werkte daarna eenigen tijd onder Stüler en M. Gropius, leidde van 1865—1876 den bouw van

onderscheiden gebouwen te Keulen en reisde, na het examen voor achitect te hebben afgelegd, door Italië. Van 1871—1882 voerde hij voor de BerlinAnhaltsche Eisenbahngesellschaft een aantal gebouwen uit, waaronder het monumentale ontvangstgebouw te Berlijn. Van 1880—1883 was hij bezig met de buiten- en binnenarchitectuur van de nieuwe afdeeling van de krijgsacademie te Berlijn. Verder heeft hij een groot aantal distriktsgebouwen, concertzalen, kerken, villa's, woon- en zakenhuizen enz. uitgevoerd. Zijn voornaamste werk is de in 1895 voltooide Kaiser Wilhelm-Gedachtniskirche te Berlijn. Schwechten is sedert 1902 voorzitter van een mees teratelier aan de academie te Berlijn en werd in 1904 tot geheim bouwraad benoemd.

Schwe Dagon, een groote pagode te Rangoen in Britsch-Birma, is het beroemdste heiligdom van alle Indo-Chineesche landen, daar het acht hoofdharen van Gautama (Boeddha) bevat. De volgens de sage in 588 v. Chr. gebouwde Schwe Dagon verheft zich op een van sterke vestingwerken voorzienen heuvel, een uitlooper van den Pegoe Joma, tot een hoogte van 98 m., op een achthoetóge basis (omtrek 413 m.), is van rijk vergulde tegels opgetrokken, heeft als scherm een kegelvormig verguld ijzeren netwerk, voor de hernieuwing waarvan de koning van Birma in 1871 0,9 millioen gld. schonk, en is overal met klokken behangen. Een klok van 24 500 kg. staat aan de O. zijde, andere klokken en heilige posten met den karawak, den heiligen vogel van Visjnoe,staan rondom.Daarbij bevinden zich talrijke kleine pagodes met Gautamabeelden in zittende houding.

Schwegvler, Alom, een uuitscn goageieerue en wijsgeer, geboren den 10den Februari 1819 te Michelbach in Württemberg, studeerde te Tübingen en kwam door zijn geschrift over het Montanisme en door onderscheiden verhandelingen in de „Theologische Jahrbücher" van Zeiler in botsing met de kerkelijke overheid in Württemberg, zoodat hij de godgeleerde loopbaan verliet. Hij stichtte in 1843 de „Jahrbücher der Gegenwart", die tot in het midden van 1848 in het licht verschenen, en vestigde zich in eerstgenoemd jaar als privaatdocent in de wijsbegeerte en oude letteren te Tübingen, waar hij in 1848 tot buitengewoon hoogleeraar werd benoemd en den 5den Januari 1875 overleed. Van zijn geschriften vermelden wij: „Das nachapostolische Zeital ter" (2 dln., 1846), „Geschichte der Philosophie im Umrisz"(1848,16de druk, 1905), „Römische Geschichte" (3 dln., 1853—1858, 2de druk, 1867—1871, voortgezet door Clason, dl. 4 en 5 1873—1876) en „Geschichte der giïechischen Philosophie"(1859, 3d0 drnk, 1881).

Schweichel, Flobert, een Duitsch romanschrijver, geboren den 12deri Juli 1821 te Koningsbergen, studeerde aldaar in de rechten, nam in 1848 en 1849 deel aan de volksbeweging en moest als mederedacteur van de: „Dorfszeitung in Preuszen" zijn vaderland verlaten, waarna hij te Lausanne tot leeraar werd benoemd. Na zijn terugkeer in Duitschland (1862) woonde hij te Leipzig, Hannover en Berlijn, waar hij van 1869—1883 de „Deutsche Romanzeitung" te Berlijn redigeerde. Hij overleed den 25BteB April 1907 to Berlijn. Hij schreef: „In Gebirg undTal"(1864), „Jura und Genfersee"(1865), „lm Hochland"(1868), „Aus den Alpen"(2 dln., 1870), „Der Axtschwinger"(1868), „Der Bildschmt-

Sluiten