Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rin on aan andere kleine meren 38 m. boven den zeespiegel. De stad heeft fraaie straten, 9 pleinen en een aantal aanzienlijke gebouwen, waaronder het prachtige, van 1854—1858 gebouwde residentiepaleis de eerste plaats inneemt. In den tuin verheft zich een standbeeld van groothertog Friedrich Franz II. Men vindt te Schwerin 4 Protestantsche kerken, een Katholieke kerk, een synagoge, standbeelden van groothertog Paul Friedrich, Bismarck, Slephan, Schliemann en Kücken.üet aantal inwoners bedraagt (1906) 41 638. Er is een gymnasium, een reaalgymnasium, een seminarium, een schilderijenmuseum, een bibliotheek, een vereeniging voor geschiedenis en oudheden van Mecklenburg enz. Handel en nijverheid zijn niet van zeer veel belang. In de nabijheid vindt men Zippendorf en Sachsenberg.

Schwerin is van Slavischen oorsprong, wordt voor het eerst in 1018 vermeld en ontving in 1161 stedelijke rechten.

Schwerin, een der oudste geslachten van Pommeren, was in de 17de eeuw in 24 lijnen verdeeld, waarvan thans nog de lijnen Walsleben, Wildenhoff, Woflshagen, Schwerinsburg en WendischWilmersdorf bestaan, tot dat geslacht behoorden:

Schwerin, Otto von, geboren in Pommeren, den 18den Maart 1616, studeerde te Greifswald en trad in 1638 als kamerheer in dienst van keurvorst Georg Wilhelm von Brandenburg en werd in 1645 tot geheimraad bevorderd. Toen de groote keurvorst Friedrich Wilhelm in 1646 in het huwelijk trad met prinses Louise Henrietle van Oranje, zag Schwerin zich benoemd tot haar opperhofmeester en later tot opvoeder van haar kinderen Karl Ernil, Friedrich en Ludwig. In 1648 werd hij in den rijksvrijheerenstand opgenomen, in 1654 tot erfkamerheer van Brandenburg verheven en in 1658 tot eersten minister en voorzitter van den geheimen raad benoemd. Hij overleed den 14den November 1679.

Schwerin, Kurt Christoph, graaf von, een Pruisisch generaal-veldmaarschalk, geboren den 26sten Octoder 1684 op Löwitz in Pommeren, bezocht de universiteiten te Leiden, Greifswald en Rostock, trad in 1700 als vaandrig in dienst der Generale Staten en in 1706 als kolonel in dienst van den hertog van Mecklenburg-Schwerin, op wiens last hij van 1712 tot 1713 bij Karei XII te Bender vertoefde. Toen VoorPommeren, waar zich zijn goederen bevonden, in het bezit kwam van Pruisen, trad hij in 1720 in dienst van koning Friedrich Wilhlem 1. Deze belastte hem met onderscheiden zendingen, schonk hem in 1722 te Frankfort aan de Oder een regiment en benoemde hem in 1730 tot gouverneur der vesting Peitz en in 1734 tot luitenant-generaal. Frederik II nam hem op in den gravenstand, verleende hem den titel van generaal-veldmaarschalk en droeg hem het bevel op over de troepen die bij den inval in Silezië bij Krossen waren bijeengetrokken. Bij Mollwitz werd Schwerin, na het vertrek van den koning, met het opperbevel belast en besliste hij de overwinning en tevens het lot van Silezië. Hoewel gewond, vervolgde hij den vijand, vermeesterde Brieg en noodzaakte Breslau den Koning van Pruisen te huldigen, waarop deze hem tot gouverneur der vestingen Brieg en Neisze benoemde. In den Tweeden Silezischen Oorlog nam hij deel aan de verovering van Praag en leidde den moeilijken terugtocht uit Bohemen. Bij het uitbreken van den Zevenjarigen Oorlog werd hij belast met het opperbevel over het 3de Pruisische

legerkorps, waarmede hij na den slag bij Lowositz in Bohemen viel en de vereeniging van Piccolomini en Browne verhinderde. Hij opende den veldtocht van 1757 wederom met een inval in Bohemeij, waar hij de Oostenrijkers aan het wijken bracht, zoodat hij zich bij Praag met den koning kon vereenigen. In den slag bij Praag, den 6den Mei 1757, sneuvelde hij. Een fraai gedenkteeken wijst de plaats aan, waar hij gesneuveld is, terwijl Frederik II te Berlijn een standbeeld te zijner eer deed verrijzen. Hij is een van de meest populaire helden van den Silezischen oorlog. Hij schreef een werk over krijgskunst en vervaardigde een aantal godsdienstige liederen.

Schwind, Moriiz von, een Oostenrijksch schilder en teekenaar, geboren den 21Bten Januari 1804 te Weenen, ontving zijn eerste onderwijs in de kunst op de academie teWeenen en van Ludwig Schnorr.h\ dezen tijd vervaardigde hij een groot aantal teekeningen naar gedichten, sprookjes,opera's enz.In 1828 vestigde hij zich te München,waar Cornelius veel invloed op hem had. Aldaar vervaardigde hij o.a. muurschilderingen voor het slot Hohenschwangau.In 1835 begaf hij zich naar Rome, maar keerde weldra terug en was werkzaam te München, Altenburg en Karlsruhe. In 1844 vertrok hij naar Frankfort om voor het Stadelsche instituut den Sangerkrieg op den Wartburg te schilderen. Tot deze periode behooren ook een aantal prachtige kleine genrestukjes. Hij werd in 1847 tot hoogleeraar aan de academie te München benoemd, vervaardigde daar zijn origineele symfonie naar Beethoven en taf ereelen uit sprookjes. Tot zijn meest beroemde werken behooren de voorstellingen uit het sprookje „De zeven raven" en den later geschilderden aquarellencyclus uit „De schoone Melusine". Voor den gerestaureerdenWartbrug schilderde hij o.a. momenten uit het leven van de Heilige Elizabeth. In 1855 werd hij in den Oostenrijkschen ridderstand opgenomen De buitengewone indruk, die Schwind?s werken maken, is een gevolg van zijn harmonische compositie, zijn ideale opvatting, zijn nauwkeurige teekening en de grondige verwerking van de stof. Ook zijn humoristische werken zijn meesterstukken. Hij overleed den 8sten Februari 1871 te München. Zijn briefwisseling met Möricke gaf Bachtold uit.

Sohwob, Marcel, een Fransch schrijver, geboren den 238ten Augustus 1867 te Chaville bij Parijs, stamde uit een oude rabbijnenfamilie, studeerde te Parijs in de letterkunde en schreef novellen voor de dagbladen, welke hij in zijn eerste boek „Coeur double'.'(1891) verzamelde. Tegelijk gewaagd en diepzinnig is onder zijn latere werken „Le Livre de Monelle"(1894), dat hij met het gedicht: „La croisade des enfants"(1896, door Pierné in 1905 als oratorium gecomponeerd), dat hij geheel in den geest der Middeleeuwen schreef in de verzameling „La Lampe de Psyché"(1903) vereenigde. Voor Sara Bernhardt vervaardigde hij een nieuwe vertaling van Hamlet" (1900). Zijn laatste werk was de onder het pseudoniem Loyson-Bridet verschenen, uiterst scherpe en geestige satire op de journalistiek te Parijs: „Moeurs des Diurnales, traité de journalisme"(1903). Als ; geleerde arbeidde hij tien jaar aan een uitgebreide . geschiedenis van Franfois Villon en zijn tijd, welke hij niet kon voltooien; zijn afzonderlijke studiën I over Villon in de tijdschriften behouden echter hun j grondleggende waarde. Hij overleed den 12den ! Februari 1905 te Parijs.

I

Sluiten