Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een hertog van Stiermarken hier een hospitium, waaruit vervolgens het dorp Spital op de zijde van Stiermarken is ontstaan. Een rijweg werd echter eerst aangelegd door keizer Karei VI in 1728, waarom op het hoogste punt een gedenkteeken verrees te zijner eer. In 1842 werd de nieuwe Semmcringweg aangelegd. De Semmeringspoorweg, de eerste der groote bergspoorwegen van Europa, werd van 1848—1854 door de Oostenrijksche regeering gebouwd. De kosten bedroegen 45 millioen kronen. Hij loopt met een lengte van 55 K.M. van Gloggnitz naar Mürzzuschlag met dubbel spoor door 15 tunnels, waaronder éen ter lengte van 1430 m. en over 16 viaducten, waaronder éen ter lengte van 228 m. over het Schwarzadal en een ter lengte van 184 m. en ter hoogte van 46 m. over de Kalte Rinne, verder door in de rotswanden uitgehouwen gaanderijen, passeert de stations Payerbach, Klamm, Breitenstein, Semmering (met een monument ter eere van Carl von Gheqa, den aanlegger van den weg), en Spital en bereikt in het midden van don Semmeringtunnel een hoogte van 897 m. boven de oppervlakte der zee. De Semmering wordt druk bezocht; dicht bij de pashoogte bevinden zich onderscheiden hotels en villa's en een sanatorium. Van den Semmering uit wordt de Sonnwendstein. (Göstritz,1523m., met een mooi uitzicht beklommen.

Semnan is de naam van een plaats in de Perzische provincie Chorassan, 1106 m. boven de zee gelegen aan de zuidelijke helling van den Elboers. aan de rivier den Semnan, de westelijke grens van de Groote Zoutwoestijn en aan den handelsweg Teheran—Mesjhed. Het heeft door boomen beschaduwde straten, waardoor beken stroomen, mooie tuinen en uitkijktorens tegen de roofzuchtige Turkmenen. De 20 000—30 000 inwoners houden zich met graan- vruchten- en zijderupsenteelt bezig.

Semnonen is de naam van een Germaansch volk, het machtigste van den stam der Sueven. Het woonde tusschen de Oder en de Elbe in de hedendaagsche mark Brandenburg, was eenigen tijd onderworpen aan de heerschappij van Marbod, maar verliet hem in het jaar 17 n. Clir. en voegde zich bij het verbond der Cheruskers. In een heilig woud op het gebied der Semnonen hadden de vergaderingen plaats van alle Suevische stammen. De Semnonen trokken later naar het Z. en namen den naam Alemannen aan.

Semois of Semoy is de naam van een rechter zijrivier van de Maas. Zij ontspringt in de Belgische Ardennen, dicht bij Arlon, in de provincie Luxemburg, stroomt dan naar het W. komt in het Franscliè departement Ardennen en mondt uit bij Monthermé. De bochtige rivier is in het geheel 198 km. (in rechte lijn slechts 80 km.) lang, waarvan er 26 in Frankrijk gelegen zijn; 18 daarvan zijn bevaarbaar.

Semp. is bij diernamen de afkorting van Karl Semper (zie aldaar).

Sempach. een stadje in het Zwitsersche kanton L izern, ligt aan den oever van een evenzoo genoemd meer, waaruit de Suren ontspringt om naar de Aare te vloeien. Het telt (1900) 1026 inwoners en vormt een station van den spoorweg van Olten naar Luzern. Het meer is door heuvelketenen omringd, bevat veel visch, heeft een oppervlakte van 14,37 v. km. en is 87 m. diep.

Hoogst merkwaardig is Sempach wegens de

overwinning, die de Zwitsers er den 9den Juli 1386 behaalden op de Oostenrijkers, gevolgd door de vernietiging der Oostenrijksche heerschappij in Zwitserland. Hertog Leopold van Oostenrijk stond er met 4000 man, waaronder talrijke ridders, tegenover 1300 Zwitsers. Nadat aanvankelijk de hertogelijken in het voordeel waren, verwierf eindelijk de dapperheid der eedgenooten een schitterende overwinning, welke door de overlevering wordt toegeschreven aan de zelfopoffering van Arnold Winkelried.

Semper, Gottfried, een Duitsch bouwkundige, geboren te Hamburg den 29sten November 1803, studeerde van 1822—25 in de rechten te Göttingen, oefende zich daarop te München, Regensburg en Parijs in de bouwkunde en volbracht een reis in Italië, Sicilië en Griekenland, waarna hij zijn geschriften „Bemerkungen über bemalte Architectur und Plastik bei den Atten"(1834) en „Die Anwendung der Farben in der Architektur und Plastik"(1836) uitgaf. In 1834 werd hij professor in de bouwkunde aan de academie te Dresden. Hij bouwde er den Hofschouwburg, de synagoge, waarbij hij Byzantijnsche en Moorsche vormen bezigde, het nieuwe hospitaal voor vrouwen en het nieuwe museum. In 1849 moest hij wegens medeplichtigheid aan de volksbeweging de wijk nemen, zoodat hij zich eerst naar Parijs begaf en toen naar Londen, waar hij o.a. de gedenkteekenen in het Kensingtonmuseum rangschikte en het geschrift „Die vier Elemente der Baukunst"(1861) schreef. In 1853 vertrok hij als professor in de bouwkunde naar de polytechnische school te Zurich en was er als leeraar en kunstenaar ijverig werkzaam. Hij stichtte het grootsche gebouw voor de polytechnische school en de sterrenwacht aldaar, verder het raadhuis te Winterthür. Zijn ontwerpen voor een schouwburg te Rio de Janeiro en voor een operagebouw te München werden niet uitgevoerd; daarentegen werd zijn plan voor een nieuwen schouwburg te Dresden door zijn zoon Manfred van '1871—1878 uitgevoerd, nadat de oude in 1869 een prooi der vlammen was geworden. In 1871 ging hij naar Weenen, om den opbouw van den Burcht en van de daarmede verbondene musea en schouwburg te besturen. Daarbij werd Hasenauer hem toegevoegd. Later begaf hij zich naar Rome en overleed aldaar den 15den Mei 1879. Hij was een ijverig aanhanger van den renaissancestijl op Romeinschen grondslag, en zijn gebouwen onderscheiden zich zoowel door de harmonie van het geheel als door de keurige evenredigheid der deelen. Van zijn geschriften vermelden wij nog: „Ueber Polychromie und ihren Ursprung"(1851), „Wissenschaft, Industrie und Kunst"(1852) en „Der Stil in den technischen und tektonischen Künsten"(2 dln., 2de druk, 1878). Na zijn dood verscheen een aflevering „Bauten, Entwürfe und Skizzen"(1881) en „Kleine Schriften"(1884).

Semper, Hans, een Duitsch schrijver over kunst, zoon van den voorgaande, werd den 12Aen Maart 1845 te Dresden geboren, studeerde te Berlijn, München en Zürich, was van 1869—1876 in Italië en vestigde zich daarna als privaatdocent aan de hoogeschool van Innsbrück, waar hij in 1879 buitengewoon en in 1886 gewoon hoogleeraar in de kunstgeschiedenis werd. Behalve de biografie van zijn vader schreef hij o.a.: „Uebersicht der Ge-

Sluiten