Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en daar groote stukken bouwland, de laatste omvat een kleiner Fransch gedeelte en een grooter internationaal gedeelte, bezit breede straten, huizen in Britsch-Indischen stijl en wordt bewoond door Europeanen en Cliineesche kooplieden. Voor het Fransche en voor het internationaal gedeelte bestaan stedelijke verordeningen; het eerste staat onder een Fransch, het laatste onder een algemeen consulair corps. Aan de kade van de hoofdrivier vindt men een aantal consulaten, de Shanghaiclub, het belastingkantoor, een openbaren tuin, het Engelsch gerechtshof en verscheiden banken; verder landwaarts in liggen 4 Katholieke en 4 Protestantsche kerken, de loge van de vrijmetselaars en de schouwburg. Het Europeesche gedeelte heeft gas en electrisch licht, een waterleiding en tramverkeer. Met Woesoeng en Nanking is de stad door 'een spoorweg verbonden. Onder Fransche bescherming staat het 8 km. ten W. van Shanghai liggende Jezuïetenklooster, Sikawei, een door nomien bestuurd weeshuis en een opvoedingsgesticht voor Chineesche meisjes. De bevolking werd (1904) op 651000 aangegeven; hiervan wonen 110000 in de Europeesche stad, en wel 100000 Chineezen en 1000 vreemdelingen. Men vindt te Shanghai katoenspinnerijen en weverijen, zijdeweverijen, meelmolens, papierfabrieken en scheepstimmerwerven. De stad is het voornaamste depót voor manchesterwaren, katoenen en wollen goederen, opium, metaal, anilineverven, petroleum, steenkool, suiker, machines, naalden, lucifers enz. voor de meeste andere Chineesche havens. De voornaamste uitvoerproducten zijn thee en zijde. De invoer van vreemde waren bedroeg in 1904:196 905 998 taëls (de taël wordt hier op ƒ 1,80 berekend), van Chineesche waren 127 970 828 taëls; de uitvoer van Chineesche produkten bedroeg 130 064 800 taëls. Aan het scheepsverkeer namen in 1904; 9434 schepen van 12 181 798 ton deel. De internationale handelskamer ( Shanghai General Chamber of Commerce) bestaat uit 116 leden.

Shanghai werd den 19den Juni 1842 door de Engelschen veroverd en den 26sten Augustus voor het verkeer geopend. Het Engelsche Settlement aan den ingang van de Soetsjou liet in 1848 naar de Chineezenstad toe een streep gronds vrij, die de Franschen in 1849 ontvingen, in 1862 ontstond aan de overzijde van de Soetsjou een Amerikaansche kolonie. Van 1853—1855 was de stad in handen van de Taipingrebellen, herhaalde pogingen werden in 1860 en 1861 door de vrijwilligers en de Engelsche en Fransche marinesoldaten afgeslagen. Van 1860—1864 ontwikkelde zich te Shanghai het kosmopolitisch bestuur, waartoe, behalve het Fransch gedeelte, dat afzonderlijk bestuurd wordt, 14 mogendheden onder leiding van hun consuls behooren. Tijdens den Chineesch-Japanschen oorlog (1894—1895) en den boxersopstand (1900—1901) werd de stad als een neutraal buitenlandsch gebied beschouwd.

Shanhaikwan is de naam van een oude stad in de N. Chineesche provincie Tsjili, slechts weinige km. verwijderd van de kust der Gele Zee. Vroeger was het vooral van belang als poort in den Grooten Chineeschen muur en als douanestation tusschen China en Mantsjoerije; thans is het een station van den Chineeschen Noorderspoorweg.

Shannon, de voornaamste rivier van Ierland, ontspringt op het Cuilcaghgebergte in het graaf¬

schap Cavan, stroomt zuidwestwaarts door het Lough Allen, verbreedt zich daarna tot het Lough Ree, en verder zuidwaarts tot het Lough Derg, beide beroemd wegens hun prachtige oevers, en vormt van Limmerick af met haar mond een baai ter lengte van 110 km. welke op de plaats, waar zij in den Atlantischen Oceaan uitmondt, tusschen Loop Head en Kerry Head 15 km. breed is. De geheele rivier is 368 km. lang, haar stroomgebied is 15695 km. groot. Tot haar zijrivieren behooren op den rechter oever de Boyle, Suck en Fergus, en op den linker oever de Inny, Brosna, Birr, Maigh, Askeaton en Cashen. Zij is van het Lough Allen af bevaarbaar, terwijl eenige gevaarlijke plaatsen door kanalen worden vermeden. Het Grand en het Royal Kanaal verbinden de Shannon met Dublin. Groote schepen varen tot aan Foynes, 30 km. beneden Limmerick. Men vangt in deze rivier veel visch, vooral zalm en snoek.

Shannon, Charles Hazlewood, een Engelsch schilder en teekenaar, geboren den 268'611 April 1865 te Londen, is een leerling van Charles Ricketts, met wien hij o.a. het tijdschrift „The DiaF' uitgaf. Hij bezocht Frankrijk, Vlaanderen en Italië en vestigde zich te Londen, waar hij zich door zijn olieverfportretten naam maakte. Nog meer bekend werd hij door zijn steendrukken. Het mooist zijn eenige kleine platen met badende of vruchten plukkende vrouwen en kinderen. Hij etste ook een weinig en maakte enkele zwart-en-wit houtsneden en illustraties.

Shaw is bij plantennamen de afkorting voor Thomas Shaw, een geestelijke, in 1692 te Kendal geboren, die N. Afrika en den Levant bereisde en den 15den Augustus 1751 als hoogleeraar te Oxford overleed.

Shaw, Henry Wheeler, een onder den schuilnaam Josh Billing bekend Amerikaansch humorist, geboren den 21B,en April 1818 te Lanesborough (Massachusetts), was te New-York als jpurnalist werkzaam en schreef tegelijkertijd een reeks humoristische werken. Daartoe behooren het jaarboek „Josh Billing's Farmers' Allminax" (van 1870— 1880), „Jos Billing, his sayings"(1866), „Josh Billing on ice"(1876), „Every body's friend" (1876), „Josh Billing's trump cards." „Josh Billing's spice box" (1881) e.a. Hij overleed den 14den October 1885 te Monterey (Californië).

Shaw, Robert Barkley, een Engelsch reiziger, geboren den 12dIin Juli 1839 nabij Londen, vertrok in 1845 met zijn ouders naar het vaste land en vertoefde achtereenvolgens te Parijs, Sorrento, Lausanne, Heidelberg, Dresden enz. tot 1850. Drie jaar later bezocht hij het Marlborough College, een militaire school, waar hij zich voor het examen van genie-officier wilde voorbereiden, doch een zware ziekte verijdelde dit voornemen. In 1859 woonde hij de lessen bij van Trinity College te Cambridge en vertrok vervolgens naar Indië, om een theeplantage van zijn vader te besturen. Gedurende dien tijd maakte hij uit het Kangaradal in het westelijk gedeelte van het Himalaya-gebergte onderscheiden tochten en drong in 1868 zelfs door tot Jarkand en Kasjgar. Hij begaf zich in 1870 derwaarts als lid der regeeringsexpeditie onder sir Douglas, Forsyth en anderen, trad daarop in 1871 in dienst der regeering en werd in 1874 als gevolmachtigde naar het hof van den emir van Kasjgar

Sluiten