Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jaar 8 n. Chr. door Tiberius overwonnen en ten getale van 40000 naar Gallië verdreven. Een ander deel week naar liet O., een derde deel trad tusschen de Boven-Lippe en de Rulir als Marsen op. In de 3de eeuw n. Chr. werd de naam van Sicambriërs door den algemeenen naam Franken verdrongen.

Sicard (Roch Ambroise Cucurron), een Fransch abt, wijdde al zijn krachten aan de opvoeding en het onderricht van doofstommen. Hij werd geboren te Fousseret bij Toulouse den 208ten September 1742, studeerde in laatstgenoemde stad, werd kanunnik te Bordeaux en vervolgens lid van de academie en van het museum aldaar. Hij stichtte er een school voor doofstommen en werd na het overlijden van den abt de V Epêe (1789) directeur van het doofstommeninstituut te Parijs. Hij werd gedurende de Omwenteling in do gevangenis geworpen en ter dood veroordeeld en ontkwam hieraan slechts bij toeval. Als redacteur van de „Annales Cat'noliques" werd hij na den 18den Tructidor tot deportatie veroordeeld, doch ontvluchtte. Hij keerde eorst na den 18den Brumaire naar Parijs terug om zijn taak weder op te vatten. Hij overleed den 10den Mei 1822. Hij was lid van het Instituut en schreef o.a.: „Mémoire sur 1'art d'instruire les sourds-muets de naissance"(1789), „Catéchisme et instruction chrétienne des sourds-muets" (1796), „Cours d'Instruction d'un sourd-muet de naissance pour servir a 1'éducation des sourds-muets"(1800 en 1803)" en „Théorie des signes pour 1'instruction des sourds-muets" (1808).

Siccatief, van het Latijnsche woord siccare (drogen), noemt men een stof, die het opdrogen van olieverf bespoedigt. Met behulp van bruinsteen, boorzuur en oxaalzuur mangaanoxyduul, zinkoxyd, loodoxyd, menie en loodsuiker vervaardigt men drogende oliën. Men verkrijgt een meniesiccatief, wanneer men lijnolievernis, menie en amber onder voortdurend omroeren laat koken, totdat er een brijachtige massa ontstaat, die met terpentijnolie verdund wordt. Het heldere vernis wordt na verloop van eenige dagen afgegoten van het bezinksel. Voor zinkwitverven kookt men lijnolie met bruinsteenpoeder, gedurende 10 a 12 uren en verdunt dit dan met terpentijnolie. Het meest gebruikt men boorzuur mangaanoxyduul, dat men met een weinig lijnolie wrijft en met 3 a 400 deelen lijnolie eenmaal opkookt. Ook oplossingen van schellak in ammoniak of in boraxoplossingen worden als siccatief gebruikt. Vooral bij grondverf, ultramarijn en zinkwit maakt men gebruik van siccatieven; bij loodwit, menie en chroomgeel zijn zij daarentegen overbodig. Bij het kunstschilderen bestaat gevaar, dat de verflaag door een siccatief scheurt en dat de kleur er door verandert.

Sichem, een oude stad in Samaria, tusschen de bergen Ebal en Garizim gelegen, werd door Jozua tot Levietenstad bestemd, viel later aan het rijk Israël ten deel en was eenigen tijd de residentie van Jerobeam. Na de Babylonische ballingschap werd zij de zetel van den Samaritaanschen godsdienst. Johannes Hyrkanos veroverde haar en verwoestte den tempel op den berg Garizim. Later werd zij een Romeinsche kolonie en heette Flavia Neapolis, thans draagt zij den naam van Nabulus.

Siciliaansche Vesper (Vespro Siciliano) noemt men den opstand, die den 30sten Maart

1282 te Palermo op Sicilië uitbrak en zich vandaar over het geheele eiland verbreidde, zoodat het van de gehate Fransche heerschappij bevrijd werd. Het aantal Franschen, dat daarbij gedood werd, wordt tusschen 8000 en 20000 opgegeven. De naam is daaraan ontleend, dat de opstand tijdens het luiden der vesperklokken op Paaschmaandag een aanvang nam.

Sicilië, het grootste en dichtstbevolkte eiland in de Middellandsche Zee, zoowel door natuurschoon als door historische herinneringen belangrijk, ligt tusschen 12°25'—15°39' O. L. en 36°39'—38°18' N. Br., heeft de gedaante van een driehoek en beslaat een oppervlakte van 25461 v. km., met de omliggende eilanden van 25 738 v. km. De grootste lengte bedraagt 288 km., de grootste breedte 188 km., de kustlengte 1115 km. De noordkust wordt door de Tyrheensche, de oostkust door de Ionische en de zuidkust door de Siciliaansche Zee bespoeld. De straat van Messina, op de smalste plaats slechts 3,16 km. breed, scheidt het eiland van het vaste land van Italië. De westpunt is Kaap Boeo, de zuidoostpunt Kaap Passaro, de noordoostpunt Punte di Faro.

Het eiland is bergachtig, aan de randen iets hooger dan in het midden, naar het Z. helt de bodem langzaam af. De gemiddelde hoogte bedraagt 6 a 700 m. De grootste hoogte bereikt de Etna (zie aldaar). De bergketen in hetN. kan men als een voortzetting van de Apennijnen beschouwen; zij bestaat uit het Peloritaansch Gebergte, de Monti Nebrodici met de Monte Sori (1846 m.), Le Madonie met de Pizzo dell'Antenna (1975m.) en de Monte Salvatore (1910m.) en uit een reeks meer afzonderlijk liggende bergen, waartoe o. a. de Monte San Calogero (1325 m.), de Rocca Busambra (1615 m.) en de San Giuliano (751 m.) beliooren. Het gebergte is opgebouwd uit gneis, leisteen ,graniet, kalk, zandsteen, jura en krijt. Het midden, zuiden en zuidwesten van het eiland bestaat uit tertiaire kalk, mergel, klei en gips, waaraan zich rijke mijnen van zwavel en steenzout bevinden. In het midden van het eiland verheft zich de Monte Cammarata tot een hoogte van 1578 m. In het Z. O. ligt een afzonderlijk bergstelsel, waarvan de Monte Lauro (985 m.) de hoogste top is.

De talrijke rivieren, die men er aantreft, zijn meest arm aan water en drogen in den zomer uit. De grootste zijn: de Simeto, de Fiume Salso, de Platani, de Fiume Grande, de San Leonardo en de Fiume Torto. Van de meren noemen wij de Lagune van Lentini; de Lago dei Palici, die in droge zomers geheel verdwijnt, is een koolzure gasbron. Men vindt er vele slijkvulkanen, vooral ten N. van Girgenti.

Het klimaat is buitengewoon gunstig, vooral aan de noord- en de oostkust. De gemiddelde jaartemperatuur bedraagt 15—19°, 's winters 7—12°, 's zomers 21—26°. De sirocco doet de temperatuur wei¬

eens voor korten tijd tot 45° stijgen, in heldere winternachten daalt zij soms 5° onder O. De jaarlijksche regenhoeveelheid bedraagt 650 mm.; de drie zomermaanden zijn regenloos, sneeuw valt er zelden. Het uitroeien van de bosschen heeft het klimaat gewijzigd, op sommige plaatsen veroorzaakt het water, dat geen afvloeiing heeft, malaria.

De plantengroei van Sicilië is, vooral in het N. en O., weelderig. Het binnenland gelijkt 's zomers op een steppe, 's winters groeit er tarwe.

De bevolking is van gemengden oorsprong; de oorspronkelijke Sicilische bevolking heeft zich met

Sluiten