Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Grieken, Arabieren, Berbers, in mindere mate met Lombarden en Albaneezen vermengd. Hun taal onderscheidt zich van de dialekten van het vasteland. De bevolking, die (1904) 3 646 754 zielen bedraagt, neemt snel toe. Tot 1860 was het onderwijs geheel in handen van de geestelijkheid en werd zeer verwaarloosd.Thans tracht men,vooral in de groote steden, hierin verbetering te brengen. Voor het middelbaar en hooger onderwijs wordt veel gedaan, er zijn een aantal lyceeën, gymnasiën, technische instituten en technische scholen, verder 3 universiteiten, n. 1. te Palermo, Catania en Messina. Het museum te Palermo bezit een rijke verzameling Grieksche, Middeleeuwsche, alsook moderne kunstwerken. De overblijfselen van Grieksche en Middeleeuwsche bouwwerken worden zorgvuldig onderhouden. Na 1860 is het land zeer vooruitgegaan, ofschoon men er nog veel bijgeloof en onwetendheid vindt en de brigantagio en de mafia, een geheime misdadigersbende, die haar vertegenwoordigers onder alle standen telt, nog niet uitgeroeid zijn. Over het algemeen heerscht op Sicilië nog het grootgrondbezit; hierin heeft de verkoop van de kerkelijke goederen weinig verbetering gebracht.

Landbouw is het hoofdmiddel van bestaan. De belangrijkste voortbrengselen zijn tarwe, wijn, olijfolie, sinaasappels limoenen, gerst, peulvruchten, vlas, sumak, tabak enz. De veeteelt is van minder belang; het talrijkst zijn schapen en geiten. Verder worden er zijderupsen gekweekt. Een groote beteekenis heeft de vischvangst, vooral van sardijnen en tonijnen. De mijnbouw levert zwavel, steenzout en asfalt. Aan de kust wint men veel zeezout; uit talrijke groeven verkrijgt men kalk, gips, tufsteen, marmer, lava, zandsteen enz. Sicilië bezit 82 minerale bronnen, meest zwavelbronnen. De nijverheid is zeer weinig ontwikkeld. Van meer belang is de handel, die na 1860 snel tot bloei kwam. Het spoorwegnet heeft een lengte van 1544 km. Aan de havenwerken te Palermo, Messina en Porto Empedocle zijn aanzienlijke sommen besteed.

Tot Sicilië behooren de Liparische Eilanden, Ustica, de Egatische Eilanden, Pantelleria en de Pelagische Eilanden. Het wordt in 7 provinciën, n. 1. Caltanissetta, Catania, Girgenti, Messina, Palermo, Syracuse en Trapani, verdeeld, Den 288ten December 1908 werd liet oosten van Sicilië door een aardbeving geteisterd, waardoor vooral de stad Messina en haar omgeving te lijden had. Het aantal dooden bedroeg omstreeks 150 000. Een vloedgolf, die onmiddellijk op de aardbeving volgde, bracht verder veel nadeel.

De oudste bevolking van Sicilië, dat ook Trinakria (driepuntig) geheeten werd, bestond volgens de Ouden uit 2 stammen, n. L de Sieulers of Sikeiers in het O. en de Sicanen in het W., beide takken van een stam, die in voorhistorischen tijd uit Beneden- Italië naar het eiland trokken. In het uiterste W. woonden de Elymers. Wegens zijn gunstige ligging in het midden der Middellandsche Zee werd Sicilië weldra het brandpunt van de handelsondernemingen der Phoeniciërs. Daarop volgden Chalkidische Grieken, die het N., en Dorische Grieken, die op de zuidoostkust, later ook op de noord- en zuidkust koloniën stichtten. De heerschappij in de Grieksche koloniën bevond zich aanvankelijk in de handen van adellijke geslachten, terwijl de lagere standen en de later verschenen kolonisten geen deel hadden aan het bestuur. Die

ongelijkheid voor de wet wekte onteveredenheid bij den kleinen burgerstand, en deze werd door gelukzoekers opgeruid tot het stichten van despotieke heerschappijen. Zulke tirannen waren bijv. Panailios van Leontinoi (± 615) en Phalaris van Agrigentum (575). Aan Theron, één zijner opvolgers, en aan Gelon, tiran van Svracuse, was in dien tijd der Perzische Oorlogen bijna het geheele Grieksche eiland onderworpen. Daardoor werden de bezittingen der Carthagers, die op de Phoeniciërs waren gevolgd, in het westen van het eiland bedreigd, en zoo ontstond tusschen hen en de Grieken een oorlog, welke met de overwinning van deze laatsten bij Himera eindigde (480). Aan de dwingelandij der tirannen, welke zich door hooge belastingen en door verdrukking van het volk gehaat maakten, kwam in 466 te Syracuse en kort daarna in de overige steden van het eiland een einde. De pogingen van Syracuse, om zich van de alleenheerschappij over de Siciliaansche Hellenen meester te maken, gaven aanleiding tot de bemoeiing der Atheners met de aangelegenheden van het eiland. Zij werden echter afgewezen en Dionysios herstelde tot 367 de tirannie. Na zijn dood daalde de macht van Syracuse en de Carthagers vonden gelegenheid, om naar het oppergezag op het eiland te dingen; Agrigentum werd hun voornaamste wapenplaats. Vanhier begonnen zij hun heerschappij uit te breiden en zij behielden, in weerwil van den inval van Pyrrhus van Epirus, de verkregen voordeelen, totdat zij bij den vrede, waarmede de Eerste Punische oorlog een einde nam, het geheele eiland aan de Romeinen moesten afstaan(241). Syracuse met zijn gebied bleef eerst nog onafhankelijk, doch werd in den Tweeden Punischen Oorlog veroverd en met de Provincie Sicilia (212) vereenigd. Als Romeinsche provincie was Sicilië de graanschuur van Italië. Een groot kwaad was de ongelukkige toestand van de slaven. Bij herhaling, het gevaarlijkst in 138—132 en 103—99 v. Chr., kwam de verbittering wegens verregaande mishandeling bij de slaven tot uitbarsting. In de laatste jaren van het West-Romeinsche rijk werd Sicilië door herhaalde rooftochten van Genserik, koning der Vandalen, geteisterd en verviel na den ondergang van genoemd rijk aan Odoacer, na den val van dezen aan de OostGoten en kwam in 551 n. Chr. aan het Byzantijnsche rijk. In 827 verschenen de Arabieren op Sicilië en namen, met uitzondering van Syracuse, dat eerst in 878 na een dappere verdediging veroverd werd, het eiland in bezit. Op het vasteland waren inmiddels verschillende kleine staten der Longobarden ontstaan, zooals te Spoleto, Beneventum, Capua, Napels, Salerno enz.,wier vorsten elkander gestadig beoorloogden. In zulk een strijd ondersteunden in 1027 de Noormannen hertog Sergius van Napels tegen zijn vijand Pandolfo van Padua en verkregen tot belooning een strook lands in Apulië, waar zij de stad Aversa bouwden en een onafhankelijke heerschappij stichtten.De ondernemingen der Noormannen verkregen nieuwe kracht, toen van de twaalf zonen van graaf Tancred de Hauteville achtereenvolgens tien uit Normandië naar Italië trokken. De oudste, Willem, werd in 1092 tot graai van Apulië verheven, de vierde, Róbert Guiscard, voltooide met de inneming van Bari de verovering van het Grieksche vasteland van Beneden-Italië.De jongste broeder Roger stak over naar Sicilië, waar het gezag der Saracenen opgelost was in een aantal kleine heer-

XIV

24

Sluiten