Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schappijen, wier middelpunt Palerrao vormde. Met. een zeer geringe strijdmacht, geholpen door de burgers van Pisa, werd Palermo ingenomen en door de verovering van Enna (1091) de heerschappij der Noormannen op het geheele eiland bevestigd. Robert Guiscard gaf het in leen aan zijn broeder Roger, die zich graaf van Sicilië noemde. Ook de kleine vorstendommen van Beneden-Italië werden achtereenvolgens onderworpen.De Noorsche hertogen werden door den paus met Sicilië en de veroveringen in Beneden-Italië beleend. Na den dood van Rolert Guiscard verdeelden zijn zonen Bohemund en Roger de vaderlijke nalatenschap op zoodanige wijze, dat Roger Apulië met de hertogelijke waardigheid en Bohemund Tarentum en een gedeelte van Calabrië verkreeg. Bohemund overleed op den eersten Kruistocht en met den dood van zijn zoon stierf zijn geslacht uit. Nadat in 1127 Willem, de zoon van Roger, kinderloos overleden was, vereenigde Roger II, de zoon van Roger, die in 1061 naar Italië overgestoken was, Beneden-Italië en Sicilië onder zijn heerschappij, bracht de weerspannige grooten tot onderwerping en liet zich den 25sten December 1130 door paus Anacletus II tot koning van liet rijk der beide Siciliën kronen. Zie verder Siciliën, Koninkrijk der beide.

Siciliën, Koninkrijk der beide, tot 1860 een zelfstandige staat, werd in dat jaar met het koninkrijk Italië vereenigd. Het werd verdeeld in het gebied van Napels en in het eiland Sicilië, omvatte de landschappen Abruzzen en Molise, Campanië, Apulië, Calabrië en Sicilië, had een oppervlakte van 111 900 v. km. en telde 8 703 000 inwoners. Het koninkrijk ontstond in 1130, toen Roger II zich door den paus tot koning liet kronen (Zie Sicilië).

Na-npls pm, Sicilië onder de heerschappij der Nor-

mandiërs (1130—1194). Onder het bewind van Roger II (1130—1154) verhief zich het koninkrijk tot een hoogen trap van bloei. Palermo en Amalfi wedijverden op het gebied van den handel met Venetië en Pisa; Napels en Amalfi waren beroemd wegens de aldaar gevestigde rechtsgeleerde scholen en Salerno door zijn geneeskundige school. De zoon en opvolger van Roger, Willem I de Booze (1154—1166), leefde als een Oostersch vorst in weelde en wellust; met diens zoon Willem II de Goede (1166—1189) stierf de mannelijke nakomelingschap van Tancred de Hauteviïle uit, terwijl zijn landen ten deel vielen aan Hendrik VI uit het geslacht der Hohenstaufm, den gemaal van Constance, een dochter van Roger II. Intusschen bleef een onwettige kleinzoon van Roger II, namelijk Tancred, en daarna diens zoon Willem nog 6 jaar in het bezit der heerschappij.

Het bewind der Hohenstaufen (1194—1266). Nahet overlijden van Hendrik VI (1197) werd hij opgevolgd door zijn 3-jarigen zoon Frederik I (als keizer Frederik II), eerst onder voogdijschap van zijn moeder, later van paus Innocentius 111. In 1208 kwam hij zelf aan het bewind. Hij bevestigde het koninklijk gezag en gaf in 1231 aan het koninkrijk een nieuwe organisatie. Daarin werd reeds in plaats van den leenadel een korps van ambtenaren, door den koning benoemd, aangewezen tot handhaving der wetten. Ook werd daarin gezorgd voor de vermeerdering der stoff elijke welvaart. De handel werd bevorderd door vermindering der rechten van in- en uitvoer, door het afschaffen der tollen aan de grenzen der verschillende provinciën en door verdragen met vreem¬

de mogendheden. Het belastingstelstel en het geldelijk beheer werden opnieuw geregeld. Verder stichtte hij in 1224 te Napels een universiteit. De zoon en opvolger van Frederik I, namelijk Koenraad IV (1250—1254), liet den minderjarigen Konradijn na, wiens oom Manfred zich met het rijksbestuur belastte, maar op een voorbarig gerucht van den dood van Konradijn, zonder toestemming van zijn opperleenheer, den paus, zich door den aartsbisschop van Girgenti onder goedkeuring van de Standen tot koning liet kronen (10 Augustus 1258). Om die reden schonk de paus het rijk als een leen van den Heiligen Stoel aan graaf Karei van Anjou, een broeder van Lodeioijk IX van Frankrijk. Manfred trok tegen hem op, maar verloor den 26sten Februari 1266 bij Beneventum den troon en het leven.

Napels en Sicilië onder het Huis Anjou (1266— 1282). Nadat ook Konradijn de poging om de vaderlijke nalatenschap te herkrijgen, in 1268 met den dood had geboet, heerschte Karei als onbeperkt vorst. Alle schenkingen en beleeningen van Frederik I en zijn opvolgers werden vervallen verklaard en met de daardoor beschikbaar geworden goederen aanzienlijke Franschen beleend, die alzoo uitgebreide rechten verkregen over de landelijke bevolking en over de steden. Verder werden liooge ambten bij voorkeur aan Franschen geschonken, waarover bij de ingezetenen groote ontevredenheid heerschte, terwijl drukkende belastingen deze ontevreden tieid sterk deden toenemen. De woelingen onder de emigranten, waarbij Giovanni di Procida een rol spet 1de,

i -i i • j» rv . . or\c r.T> nr i. -ioqo

vermeerderden ae gisting, uen oua ^ ïvicuuu brak er een opstand uit, die onder den naam Sieiliaansche Vesper (zie aldaar) bekend is geworden en eindigde met het vermoorden van de meesten, op het eiland aanwezige Franschen. De Sicilianen benoemden daarop een voorloopig bestuur en verdedigden zich tegen de maatregelen van Karei, totdat Peter van Aragon, de schoonzoon van Manfred, hun te hulp kwam en de kroon van Sicilië aanvaardde. Zoo werd Sicilië tot 1442 van het vasteland gescheiden.

Het koninkrijk Sicilië na den Siciliaanschen Fesper (1282) tot zijn hereeniging met Napels (1442). Op Peter van Aragon volgde in 1285 zijn tweede zoon Jacób. Nadat deze in 1291 koning van Aragon was geworden, deed hij in 1295 afstand van Sicilië ten gunste van het huis Anjou. De Sicilianen waren hiermede echter niet tevreden en verhieven Frederik II, den jongsten zoon van Peter op den troon. Hij wist zich tegen het huis Anjou en tegen den paus téliandhaven, zoodat bij den vrede van Caltabellotta (1302) besloten werd,dat hij met Eleonora, een dochter van Karei II van Anjou in het huwelijk zou treden, terwijl hij als koning werd erkend. Onder Frederik II (1302—1327) begon Sicilië, na de verwijdering der krijgsbenden, weder te bloeien en kwam, als de wijkplaats der Ghibellijnen, in verzet tegen den paus. Na den dood van Frederik's opvolger Lodewijk (1342—1356) deed Johanna van Napels een pogingv zich van het eiland meester te maken, doch te vergeefs. Op Lodewijk volgde zijn 13-jarige broeder Frederik III (1355—1377), die in 1372 de souvereiniteit van den paus en van Napels erkende en zich verplichtte tot het betalen van een schatting. Hij liet de heerschappij na aan zijn dochter Maria (1377—1401), doch gedurende de minderjarigheid van deze was alle macht in handen der baronnen, die hier en daar in de steden een zelfstandig bewind ves-

Sluiten