Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevoerde instellingen, hij liet ze echter van zelf tot j verval komen en verdwijnen. De algemeene ontevre- < denheid, die door de geheime genootschappen der ] Carbonari vermeerderd werd, sloeg over op het le- < ger. Geen wonder alzoo, dat de tijding van de Spaansche Revolutie insloeg. In den nacht van den lBten op den 2den Juli werd het sein gegeven door Michele Morelli, luitenant der dragonders te Nola, die met iets meer dan 100 man naar Avellino trok, de constitutie afkondigde en vervolgens met zijn regiment naar Napels oprukte. Hij kreeg onderweg zóó groote versterking, dat men aan het Hof elke poging tot verzet moest laten varen. De koning benoemde zijn zoon tot algemeen stadhouder; deze droeg den liberalen generaal Guglielmo Pepe het opperbevel over de troepen op en beloofde de invoering van de Spaansche grondwet, die den 13den Juli door Ferdinand plechtig bezworen werd.

Sicilië verlangde echter de grondwet van 1812 weder. Te Palermo benoemden de Sicilianen den 18den Juli een voorloopige regeering, die alleen een personeele unie met Napels wilde laten bestaan. Generaal Florestano Pepe bracht het eiland echter weldra tot onderwerping en nam den 15dcn October Palermo in. Toch verzwakte deze opstand de positie van de regeering zeer en de onnatuurlijke toestand was voor Metternich, reeds geweldig verbitterd door de revolutie te Napels, een geschikte gelegenheid, om op het Congres te Troppau met goed gevolg een gewapende tusschenkomst te vragen. Terwijl men te Napels werkzaam was aan het ontwerpen der constitutie en bij haar voltooiing (21 Januari 1821) feest vierde, besloten Oostenrijk, Pruisen en Rusland op het Congres te Laibach, waar Ferdinand zelf verscheen en de door hem bezworen grondwet verloochende, tusschen beide te komen. In het begin van Februari 1821 overschreed generaal Frimont met 43 000 Oostenrijkers de grenzen. Na een kortstondig gevecht bij Rieti (7 Maart) namen de door Pepe aangevoerde manschappen de vlucht, en de Oostenrijkers deden hun intocht te Napels, alwaar, evenals op Sicilië, waar een Oostenrijksche legerafdeeling onder Wallmoden heengezonden was, de voormalige staat van zaken hersteld werd, terwijl de bewerkers van den opstand bloedig werden gestraft. Ferdinand, die in Mei terugkeerde, schafte alle hervormingen af en de vroegere misstanden keerden terug.

De zoon en opvolger van Ferdinand, Frans I (182B —1830), bleef gedurende zijn korte regeering aan het stelsel van zijn vader getrouw, diens zoon Ferdinand 11 (1830—1859, voerde, althans in het begin, vele weldadige hervormingen in en stelde orde op de financiën. Oproerige bewegingen gaven aanleidingen, om het eiland Sicilië geheel en al met Napels te vereenigen. Allengs echter naderde Ferdinand tot het regeerstelsel van zijn voorgangers.

In Januari 1848 brak te Palermo een opstand uit, die zich over een groot deel van Sicilië verbreidde. Tevergeefs gaf Ferdinand aan beide deelen van zijn rijk een constitutioneele grondwet, Sicilië rukte zich den 13den April los van de Bourbons en koos den hertog van Genua, een zoon van Iiarel Albert van Sardinië, tot koning (11 Juli). Daarmede evenwel was de oorlog geenszins geëindigd, wel werd door tusschenkomst van Engeland en Frankrijk een wapenstilstand gesloten, maar daar de onderhandelingen tot geen gewenschte uitkomst leidden, begon in

April 1849 de strijd opnieuw en eindigde met de verovering van Palermo door de Napolitanen. Ook te Napels werd den 13dcn Februari 1849 het Parlement ontbonden en de grondwet buiten werking gesteld. De reactie, welke op die beweging volgde, was te Napels en op Sicilië veel erger dan ergens elders, 22 000 menschen werden wegens staatkundige misdaden veroordeeld,het militair despotisme heerschte in zijn volle kracht. Gladstone vestigde in een brief de aandacht op de gruwelen en de Engelsche en Fransche Regeeringen gevoelden zich genoopt, te Napels ernstige vertoogen in te dienen, waarin op verbetering aangedrongen werd. Zij riepen, toen deze vruchteloos bleken, hun gezanten terug (October 1856). Van dien tijd af heerschte in het koninkrijk Napels en Sicilië voortdurend een hevige strijd tusschen de revolutionnaire en absolutistischeelementen.Opstanden in 1856 en 1857 mislukten wel is waar, maar ten slotte achtte de koning zich niet langer veilig in zijn hoofdstad en betrok met zijn gezin het kasteel Caserta,waar hij, door een aanzienlijke krijgsmacht bewaakt,alleen aan vertrouwelingen toegang verleende. Na den dood van Ferdinand 11 (22 Mei 1859) beklom zijn jeugdige, onervaren, gebrekkig opgevoede zoon Frans 11 den troon en betoonde zich een even halsstarrige vijand van allen vooruitgang en van alle vrijzinnige denkbeelden als zijn vader. Hij had omstreeks een jaar geregeerd, toen de vrijscharen van Garibaldi, versterkt door een aantal Napolitanen, een einde maakten aan zijn heerschappij. Den 2isten October 1860 had er een volksstemming plaats en deze besliste met een verpletterende meerderheid voor een vereeniging met Sardinië, welke door de verheffing van Victor Emanuel tot koning van Italië (14 Maart 1861) tot stand kwam.

Sick, Ingeborg Maria, een Deensch schrijfster, geboren den l»te» April 1869, wijdde zich aan zieken- en armenverpleging en schreef daarnaast gedichten. Van haar werken, die in het Nederlandsch vertaald zijn, noemen wij: „Loutering"(3de druk, Utrecht, 1905), „Heilig huwelijk" (2de druk, Utrecht, 1908), „Jonkvrouw Else"(2de druk, Utrecht, 1907), „Miezi"(Utrecht, 1907), „Uit de aarde"(Utrecht, 1908), „Het sluimerende slot"(Utrecht, 1909) en „De prinses die spon"(Utrecht, 1907).

Sickel, Theodor, ridder von, een Duitsch geschiedkundige, geboren te Aken den 18den December 1826, studeerde te Halle in de theologie en te Berlijn in de letteren en geschiedenis, bezocht de Ecole des Chartes te Parijs, doorzocht op last der Fransche regeering de archieven te Milaan, Venetië en Weenen, werd in 1857 buitengewoon hoogleeraar en lid der Keizerlijke Academie te Weenen, in 1867 gewoon hoogleeraar en directeur van het instituut voor Oostenrijksche geschiedenis , aldaar en in 1874 medelid van de centrale directie der „Monumenta Germaniae". In 1890 werd hij directeur van het Oostenrijksch Instituut voor geschiedkundige nasporingen te Rome. In 1884 was hij in den ridderstand verheven, in 1889 werd hij lid van het Oostenrijksch Heerenhuis. Hij nam in i 1892 zijn ontslag, vestigde zich te Meran en overi leed aldaar den 21sten April 1908. Hij schreef: „Mo1 numenta graphica medii aevi"(9 dln., 1859—1869), : „Das Vikariat der Visconti"(1859), „Jeanne d'Arc" • (1860), „Die Urkunden der Karolinger"(2 dln., ■ 1867), „Zur Geschichte des Konzils von Trient" i (3 dln., 1870—1872), „Alcuinstudien" (l8te dl.,

Sluiten