Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rique et physique des reptiles du Japon"(1838), „Lettre sur 1'utilité des Musées Ethnographiques etc."(1843), „Urkundliche Darstellung der Bestrebungen von Niederland und Ruszland zur Eröffnung Japans für die Schiffahrt und den Seehandel aller Na,tionen"(1854), „Annales d'horticulture et de botanique, ou flore des jardins du royaume des PaysBas etc." (met De Vriesse, 3 dln. 1857—1860) en „Open brieven uit Japan"(1861).

iSiebold, Karl Theodor Ernst von, een Duitsch physioloog en zoöloog, een neef van den voorgaande, geboren te Würzburg den 16den Februari 1804, was op verschillende plaatsen als geneesheer werkzaam, werd in 1840 hoogleeraar te Erlangen, in 1845 te Breslau en in 1853 te München, waar hij tevens directeur werd van het zoölogisch museum en den 7den April 1885 overleed. Hij deed veel waarnemingen over de protozoa, zeekwallen, ingewandswormen en insecten. Ook bevestigde hij de parthenogenesis en bekrachtigde door feiten de door Dzierzon verkondigde theorie van de huishouding der bijen. Hij schreef: „Lehrbuch der vergleichenden Anatomie der wirbellosenTiere"(1848), „Observationes deSalamandris et Tritonibus"(1828), „Beitrage zur Naturgeschichte wirbelloser Tiere" (1839), „Ueber Baudund Blasenwürmer"(1854), „Wahre Parthenogenesis bei Schmetterlingen und Bienen"(1856), „Beitrage zur Parthenogenesis der Arthropoden"(1871) en „Die Süszwasserfische von Mitteleuropa"(1863). Ook stichtte hij in 1849 met Kölliker de „Zeitschrift für wissenschaftliche Zoölogie".

Sieg-burg is de naam van een stad in het distrikt Keulen aan den Sieg gelegen. Het is een kruispunt van de spoorwegen Keulen-Giessen, Siegburg-Bergnettstadt en Niederpleis-Siegburg. Het heeft een Evangelische en drie R. Katholieke kerken, een synagoge, een gymnasium, een katholiekseminarium voor onderwijzers, een strafinrichting en een rechtbank. Verder is er een opperhoutvesterij gevestigd en vindt men er een geschutgieterij (1400 arbeiders), een ammunitiefabriek (700 arbeiders), een katoendrukkerij (1000arbeiders),een ijzergieterij, machine-, sigaren-, borstel- en beroemde aardewerk- en terracottafabrieken, een fabriek voor het herstellen van pharmaceutische instrumenten, benevens molens. Van de 16de—18de eeuw was Siegburg de zetel van een bloeiende aardewerkindustrie. De plaats telt (905) 14878 inwoners.

Sieg-el, Heinrich, een Duitsch rechtsgeleerde, geboren den 15den April 1830 te Ladenburg in Baden, studeerde te Bonn en te Heidelberg, vestigde zich in 185S als privaatdocent te Gieszen en werd in 1857 buitengewoon en in 1862 gewoon hoogleeraar in de rechten te Weenen. In 1S61 werd hij correspond'eerend, in 1862 gewoon lid van de Academie van Wetenschappen aldaar, van 1875—1890 was hij algemeen secretaris van dat lichaam. In 1891 werd hij lid van het Heerenhuis. Hij overleed te Weenen den 4den Juni 1899. Van zijn geschriften noemen wij: „Geschichte des deutschen Gerichtsverfahrens" (1857), „Das Versprechen als Verpflichtungsgrund"(1873) en „Deutsche Rechtsgeschichte" (1886). Ook gaf hij met R. Tomaschek „Die Salzburgischen Taidinge"(1870) in het licht.

Siegen, een arrondissementshoofdstad in het Pruisische distrikt Arnsberg, ligt aan den Sieg en telt (1905) 25201 inwoners. Zij ligt aan 2 spoorwegen, bezit 2 Protestantsche en 2 Katholieke kerken,

een synagoge, standbeelden van Wilhelm I, Bismarck en Diesterweg, een gymnasium, een school voor mijnbouw, een school voor veeteelt, een nijverheidsschool, een Kamer van Koophandel enz. en veel nijverheid. Hier werd de sehilder Rubens geboren. In het geheele arrondissement Siegen wordt veel mijnbouw uitgeoefend. In 1905 werd er 934 283 ton ijzererts, 6674 ton looderts, 2654 ton kopererts en 9206 ton zinkerts tot een gezamenlijke waarde van 11,7 millioen mark geproduceerd.

Siegen, een oude bezitting van het Huis Nassau, kwam in 1224 door schenking voor de helft aan het stift Keulen, waardoor een strijd, die 200 jaar duurde, ontstond. Daarna kwam het aan de lijn Oranje-Nassau en gaf zijn naam aan een zijlijn (1606—1743). Tot 1806 behoorde het aan de erfstadhouders van Nederland, kwam toen aan het groothertogdom Berg en werd in 1815 Pruisisch.

Siegenbeek, Matihijs, een Nederlandsch letterkundige, geboren te Amsterdam den 23sten Juni 1774, werd opgeleid tot Doopsgezind predikant en vervaardigde reeds vroeg Latijnsche en Nederlandsche gedichten. In 1796 werd hij predikant te Dokkum, in 1797 buitengewoon en in 1799 gewoon hoogleeraar in de Nederlandsche taal- en letterkunde te Leiden. Onder het Bewind der Bataafsche Republiek werd hem de vervaardiging opgedragen van een „Verhandeling over de Nederlandsche spelling," waarop het besluit volgde, dat zijn spelregels tot richtsnoer zouden dienen voor alle stukken en leerboeken, die van den Staat uitgingen. De spelling van Siegenbeek bleef tot aan de invoering van de spelling van De Vries en Te Winkel de heerschende. In 1815 werd hij schoolopziener en bekleedde deze betrekking gedurende 35 jaren. Met J. W. Ie Water schonk hij nieuwen bloei aan de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden. Hij overleed den 28sten November 1854. Sedert 1808 was hij lid van het Koninklijk Nederlandsch Instituut, verder lid van vele andere binnen* en buitenlandsche geleerde genootschappen en ridder in de Orde van den Nederlandschen Leeuw. Van zijn talrijke geschriften vermelden wij: „Proeve van Nederlandsche welsprekendheid" (2 stukken, 1799 en 1809), „Verhandeling over den invloed der welluidendheid en gemakkelijkheid van uitspraak in de spelling" (bekroond door de Bataafsche ïfaatschappij, 1804). „Woordenboek voor de Nederduitsche spelling" (1805), „Proeven van Nederlandsche dichtkunde uit de XVIIde eeuw" (1806), „Historisch tafereel van Leidens ramp enz." (1808), „Syntaxis der Nederlandsche taal" (1810), „Euterpe" (met Kantelaar, 2 dln., 1810—-1811), „Museum of verzameling van stukken ter bevordering van fraaie kunsten en wetenschappen" (4 dln., 1811—1817), „Nederduitsche spraakkunst" (1814), „Over de verdiensten van Hugo de Groot als schrijver der Nederlandsche geschiedenis" (1818), „Beknopte geschiedenis der Nederlandsche letterkunde" (1826), „Taalkundige bedenkingen" (1827), „Geschiedenis der Leidsche Hoogeschool" (2 dln., 1859—1862), „Geschiedenis der burgerwapening in Nederland" (1831), „Het Bestuur van Jan de Witt, beschouwd uit het oogpunt der ministerieele verantwoordelijkheid"(1832), „Aanteekeningen op Jacob van Maerlants Verkeerde Martijn" (1834), „Jacob van Maerlants Wapen Martijn, met een inleiding en aanteekeningen" (1834), „Redevoeringen en verhau-

Sluiten