Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in Oostenrijk werd hij in hechtenis genomen en tot een kerkerstraf van 5 jaar op den Spielberg bij Brünn veroordeeld. Na 2 jaar werd hij echter in vrijheid gesteld en vestigde zich te Weenen. Hij schreef: „Trutznachtigall" (Lieder, 1857, 3ae druk, 1870), „Dorfschwalben aus österreich"(2 dln., 1862—1863, nieuwe reeks, 2 dln., 1881), „Herkules Schwacli"(3 dln., 1863), „Lieder"(1864), „Die Alpen rose von Ischl"(2 dln., 1866), „Mein Herz in Liedern"(1868), „Land und Leute im Naszwalde" (1868), „Glanzende Bahnen" (1872), „Deutsche Hochlandsgeschichten" (2 dln., 1875) en „Neue Hochlandsgeschichten" (1888), „Die Rosenzauberin"(1884), „Dorfmusik" (1892), „Die vom Dorf' (1895) en „Der verwandelte Ahasver"(1899). Buitendien schreef hij; „Denksaulen im Gebiete der Kultur und der Literatur" (1879) en „Büchlein Klinginsland. Dichter-Weisen und Weisungen" (1879) en „Hauschronik im Blumen- und Dichterschmuck". Sedert 1877. redigeerde hij den volkskalender van Vogl. Hij overleed den 7den Maart

1900 te Weenen.

Silene is een plantengeslacht uit de familie der Caryophyllaceeën. De' bladeren zijn tegenoverstaand, aan den voet iets vergroeid en gaafrandig. Hiertoe behooren in ons land ongeveer een 10-tal soorten, waarvan de meestvoorkomende isS.vulgaris (Gewone Silene) met 5 tweespletige, witte bloemkroonbladeren en 20—30 nervige kelk. Deze plant is tweehuizig en komt algemeen op zand- en kleigrond van Juli tot September bloeiende voor.

Silenus of Seilenos, oorspronkelijk een woudof brongeest, die in Klein-Azië thuis behoorde, was volgens de Grieken de zoon van Hermes of van Pan en van een nymph, de opvoeder en later de metgezel van Dionysos. Hij nam met dezen deel aan den oorlog tegen de Reuzen, doodde Enkelados en maakte door het ongewoon gebulk van zijn ezel den vijand zoo verschrikt, dat deze de vlucht nam. De latere dichters stellen Silenus voor als een vroolijk oud man, wat kleiner dan middelmatig van grootte,gewoonlijk naakt en met een kaal hoofd. Ook zijn er afbeeldingen van hem als onverzadelijk ilriui-Pr inpf. ppn wiinzak en andere waar hii den

jongen Bacclios zorgvuldig in den arm houdt. De »,««)« irnn rlprp nllpfin de laatsteenoemde niet.

stellen hem eenigszins komisch voor. Naast hem nam men nog een aantal andere Silenen aan, die

evenals de satyrs, voorzien waren van eenpadiuecfoarf nnn.rrlpnnrp.n fvn hoeven.

Silezië, een voormalig hertogdom, dat in de

Middeleeuwen tot net KonmKrijK r»oneinen ueVmnrrip hpsf/wfl welfw uit Onner- en Neder-Sile-

r,\a TTnf Aorctft nmuat.tp. t.pp'ftn het einde der I8de

oounr \mrQfpnrlnmmprr ^Tftsr.hen. TroDDau. Jasem-

dorf, Oppeln, Ratibor en Bielitz), de vrije heerlijkheden Plez en Beuthen en eenige geringere heerlijkheden en het tweede 13 vorstendommen (Breslau, Brieg, Glogau, Jauer, Liegnitz, Münsterberg, Neisze, Oels, Sagan, Schweidnitz, Wohlau, Trachenberg en Karolath, de vrije heerlijkheden Wartenberg, Militsch en Goschütz en eenige heerlijkheden van minderen rang. Thans is het geheele land verdeeld in Pruisisch Silezië (zie Silezië, Pruisisch) en Oostenrijksch Silezië (zie Silezië, Oostenrijksch).

Geschiedenis. Nadat de oudste Germaansche bewoners, van het larid, gedeeltelijk als volksverhuizers naar het zuidwesten waren getrokken, ver¬

kreeg Silezië, dat waarschijnlijk zijn naam ontleent aan het riviertje Sleza, thans de Lohe of Laue geheeten, door de komst der Slaven in de 6de eeuw

een gemengde bevolking, umstreeits nei jaar »vaj verviel het gedeelte, dat zich op den rechter oever der Oder uitstrekte aan Polen, en het land tusschen de Oder en de Bober in 973 aan Bohemen, doch in 999 eveneens aan Polen, terwijl het gebied ten westen van de Bober tot de mark Meiszen behoorde. Van Posen, waar hertog Mieczyslaus 1 in 968 een bisdom stichtte, verbreidde zich het Christendom allengs over Silezië; toch werd eerst in 1051 het bisdom te Breslau opgericht. Een veldtocht van keizer Hendrik V (1109) die Boleslaus III van Polen wilde dwingen, het rijk met zijn broeder te deelen, leed schipbreuk op de vaste burchten van Silezië, onder welke Beuthen en Glogau genoemd worden. Toen in de 12dc eeuw een nieuwe Successie-oorlog onder de Piasten uitbrak, slaagde W/vo/1 oivib TZ/ivhnvr\<isn. pr in H1 fiSV voor dfi zonen

van den onttroonden Wladislaus een groot ge-

aeeite vaiioiiezie ais öüiia.uciuuöouciung, yoiiuij6vu.

rj • ■ _" " J „ irnn Vl TT 11 J O /lor

ZjIJ ZIJIl U.C DtlÜllIjCXÖ vail IICK IIUIO

- dnnr Rnle.itln.ua T werd het hertoedom

Breslau,'door Mieczyslaus Teschen door Koenraad

Ulogau gegrondvest, unoer nun naKomeiingen uiuden meermalen verdeelingen plaats, bepaaldelijk die in Opper- en Neder-Silezië. Van de hertogen

van Neder-Silezie vermelden wij: nenarin ï ae

Gebaarde (t lz3ö), den gemaal van ae neiuge //.)//1/'in rijp in rlfiii vnorsnoedi^en oorlosr van 1233

— r o o ...

de voogdijschap over Polen en de heerschappij in

Krakau verkreeg en de sucnung van jjiulscub ™iVonlantin<rp.n hnvnrdfirdp. alsmede ziin zoon Hen¬

drik II de Vrome, die in 1241 bij Liegnitz in den slag tegen de Mongolen sneuvelde. Door een ver-

1 1; OilnniX rlo flri'o llPr.

Qt3t31illg vail i^oUCl-Oll^AlC uiii/aiunuv,u vav/ unu

fno-rlnmmp.n Tirpsla.ii Liepnitz en Gloeau. en door

die van Opper-Silezië de hertogdommen Teschen,

-r.. 1 C _ . m TTT„1 J

Oppeln, ttatioor, jagernaori en iruppau. weiuia was elke stad van eenig belang de zetel van een vorst. In den aanvang der 14de eeuw bestonden in Silezië 18 regeerende vorstenhuizen. Intusschen werd koning Johann van Bohemen in 1327 door al de hertogen van Opper-Silezië, door Breslau en in 1329 door de meeste hertogen van Neder-Silezië als beschermheer erkend, en hij wist Casimir den Groote, koning van Polen, in 1335 over te halen, afstand te doen van de souvëreiniteit. Keizer Karei IV verkreeg door zijn gemalin Anna het recht van opvolging in de beide vorstendommen Jauer en Schweidnitz, die de souvereiniteit van Bohemen nog niet hadden erkend, en bracht alzoo geheel Silezië onder de Kroon van Bohemen en aan het Duitsche

rijk. Niettemin werd Silezie als een geheel aangemerkt, welks algemeene belangen op de zoogenaamde vorstendagen behartigd werden. Aan de hertogen van Liegnitz,Teschen, Oppeln en Ratibor verleende Wladislaus in 1498 en 1511 het recht, hun landen, bij ontstentenis van mannelijke nakomelingen, door testament aan anderen op te dragen. Dientengevolge beschouwde zich hertog Friedrich von Liegnitz, Brieg en Wohlau gerechtigd, met Joachim II van Brandenburg in 1537 een overeenkomst omtrent de erfopvolging te sluiten, doch koning Ferdinand I, aan wien in 1536 Bohemen was ten deel gevallen, wilde haar niet erkennen (1546). De Silezische hertogen verzetten

Sluiten