Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich niet tegen de uitbreiding der Hervorming, wel deden dit de koningen van Bohemen. Vooral Ferdinand II trachtte de Sileziërs terug te brengen tot het oude geloof, waardoor het overwegend Protestantsche land gedurende den Dertigjarigen Oorlog veel te lijden had. In dien tijd verloor een lid van het geslacht Hohenzollern, Johann Georg, zijn vorstendom Jagerndorf, omdat hij tot de aanhangers behoorde van Friedrich V van de Palts. De Jezuïeten werden er in 1648 toegelaten, doch de Evangelische kerken op weinige na gesloten en haar bezittingen verbeurd verklaard. De vorstendommen Münsterberg, Sagan, Oppeln en Ratibor werden gedeeltelijk verkocht en gedeeltelijk verpand. Onder keizer Leopold I was zulks eveneens het geval met de hertogdommen Liegnitz, Wohlau en Brieg, die na het overlijden van den laatsten hertog uit het huis der Piasten, Georg Wilhelm von Brieg, in 1675 ten deel vielen aan den koning van Bohemen. Keurvorst Friedrich Wilhelm von Brandenburg, die volgens het erfverdrag van 1637 zijn aanspraken deed gelden, verkreeg slechts het arrondissement Schwiebus, dat keurvorst Frederik III in 1694 voor 250 000 florijnen aan den keizer verkocht. Door de conventie van Altranstadt(1707) en het Italiaansch Reces (1709) herkregen de Protestanten in Silezië, met het recht tot het bekleeden van openbare ambten, 128 kerken en verlof tot het bouwen van nieuwe bedehuizen te Freistadt, Hirschberg, Landeshut, Militsch, Sagan en Teschen. Zeer ongunstig daarentegen werd de toestand der Protestanten onder Karei VI. Inmiddels erkenden de Silezische Standen in 1720 de Pragmatieke Sanctie en alzoo Maria Theresia als toekomstige gebiedster. Evenwel maakte Frederik II van Pruisen in 1740, toen Maria Theresia haar vader opvolgde, aanspraak op de Silezische vorstendommen Liegnitz, Brieg, Wohlau en Jagerndorf en bood haar zijn bondgenootschap aan, wanneer zij afstand wilde doen van die landen. Tengevolge van de weigering van Oostenrijk ontstond de eerste Silezische oorlog (zie Silezische oorlogen).

Door den Vrede van Breslau (11 Juli 1742) kwam geheel Silezië, met uitzondering van de vorstendommen Teschen, Troppau en Jagerndorf en een klein grondgebied aan de overzijde der Oppa, aan Pruisen. Frederik II nam doortastende maatregelen, om de grondwet, het bestuur en de rechtspleging te hervormen. Hij benoemde een afzonderlijken minister voor Silezië en verdeelde het land in 48 arrondissementen. Er werd een volkomen vrijheid van godsdienst verordend. Nieuwe en diepe wonden werden Silezië toegebracht door den Tweeden Silezischen, alsmede door den Zevenjarigen Oorlog, waarvan het zich echter weldra weder herstelde. In 1806 werd het land door de troepen van het Rijnverbond bezet. Bij den Vrede van Tilsit bleef Silezië aan Pruisen; in 1813 nam het een levendig aandeel aan het verzet tegen Napoleon. Sedert 1807 vormt het door Frederik II veroverde gedeelte een provincie van Pruisen, die in 1815 met eenige streken vergroot werd.

Silezië, Pruisisch (zie de kaart), een provincie van den Pruisischen staat, grenst in het noorden en noordoosten aan de provinciën Brandenburg en Posen, in het oosten aan Polen en Galicië (Krakau), in het zuiden aan Oostenrijksch-Silezië, Moravië en Bohemen, en in het westen aan Bohemen, het

koninkrijk Saksen en de Pruisische provincie Saksen. Het omvat het oude Opper-Silezië (met uitzondering van de vorstendommen Troppau, Jagerndorf, Teschen, Bielitz enz.), geheel Neder-Silezië met het graafschap Glatz (met uitzondering van het arrondissement Schwiebus), een door het verdrag van den 18aen Mei 1835 door Saksen afgestaan gedeelte van het markgraafschap Oberlausitz, de in 1815 afgestane Boheemsche enclaven en de stad Rothenburg, en heeft een oppervlakte van 40323 v. km. Dit gewest bestaat voor de grootste helft uit laagland en voor de kleinste uit een bergstreek. Door het land heen loopt het lengtedal van Silezië, dat zich eerst langs de Malapane uitstrekt tot aan de Oder, daarna deze volgt tot aan den mond der Katzbach en eindelijk in een westelijke richting voortschrijdt tot aan de Zwarte Elster. De bodem van deze vallei is langs de Oder vruchtbaar, langs de Malapane en Elster moerassig, en tusschen de Oder en de Elster zandig en gedeeltelijk ook moerassig. Ten N. van dat lengtedal bevindt zich de Markisch-Silezische landrug, die in de jura van Opper-Silezië een hoogte van 357 m. bereikt. Ten Z. van dat lengtedal heeft men ten O. van de Oder de hoogvlakte van Tarnowitz met het Opper-Silezische Steenkolengebergte, een uitlooper der Karpathen; het hoogste punt van dit laatste is de Annaberg (385 m.). Op den linker oever van de Oder klimt de bodem allengs omhoog tot aan den bergkam der Sudeten, die de grenzen van Opper-Silezië alleen bereikt met den voet van den Bisschofskuppe (890 m.), maar door Midden-Silezië zich uitstrekt van Reichenstein tot Jauer. Voor dezen bergmuur verheffen zich de Zobten (718 m.), de Geiersbergen (573 m.), enz. De gebergten dezer provincie worden door den Pas van Liebau in 2 deelen gescheiden. In het oosten heeft men het Glatzergebergte met den Grooten Schneeberg (1422 m.), als aanzienlijksten top, dan het Zandsteengebergte van den Heuscheuer, verder het Neder-Silezische Steenkolengebergte en eindelijk het Katzbachgebergte. Ten westen van dien pas verheft zich op de grenzen van Bohemen het Reuzengebergte met de Schneekoppe (1603 m.), den hoogsten berg van geheel Silezië. Dit gewest behoort nagenoeg geheel tot het stroomgebied van de Oder. Alleen in het zuidoosten raakt de Weichsel de grens en uit het westelijk gedeelte stroomen de Iser, de Spree en de Zwarte Elster naar de Elbe. De Oder, die bij Ratibor bevaarbaar wordt, loopt van het zuidoosten naar het noordwesten door de geheele provincie; tot haar zijrivieren behooren op den rechter oever: de Olsa, de Klodnitz, de Malapane, de Weida en de Bartsch; op den linker oever: de Oppa, de Zinna, de Ilotzenplotz, de GlatzerNeisze, de Ohlau, de Weistritz en de Katzbach; de Bobev en de Lausitzer Neisze vereenigen zich buiten Silezië met de hoofdrivier. Het Klodnitzkanaal is het eenige bevaarbare kanaal in Silezië. Van de meren is alleen het Schlawameer van eenig belang. Het klimaat is het zachtst bij Grünberg, maar guur in de bergstreek en in Opper-Silezië. De gemiddelde jaarlijksche warmte bedraagt in het Reuzengebergte 4,8°, te Görlitz en te Breslau 8°. De jaarlijksche regenhoeveelheid is in de vlakte 500—600 m.m., in het gebergte tot 1160 m.m.

Van de oppervlakte zijn 55,6% bouwland en

Sluiten