Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

raar vergelding verwacht voor de aangeboden gaven. Nergens heeft dit zelfbedrog dieper wortelen geschoten dan in Indië, hier staan aan het hoofd van het Sjamanisme de Brahmanen met hun uitgewerkte theorieën, hun diepzinnige denkbeelden en hun duizendjarige praktijk, aan wien alleen de geheime beteekenis en de kracht der plechtigheden en spreuken bekend bleven, terwijl zij zeiven zich bovenmenschelijke eigenschappen toekenden en zich tot in het vleesch verschenen goden verhieven. Alle volken huldigden vroeger het Sjamanisme, en slechts weinigen hebben zich daarvan volkomen gezuiverd. Heksenprocessen behooren zelfs in de meest beschaafde landen nog niet tot den lang verleden tijd. In het algemeen is de onontwikkelde menigte zeer geneigd, aan een zinnebeeldige handeling een bovennatuurlijke werking toe te schrijven en alzoo het Sjamanisme te huldigen.

Sjamyl, een imam, Tsjerkessenhoofdman en aanvoerder der bergvolken in den strijd tegen de Russen, geboren in 1797 te Aoel Himry in het noordelijk gedeelte van Dagestan, werd moeride (geestelijke) en helde met betrekking tot den godsdienst over tot een vernieuwing van het Soefisme, dat dan ook weldra de verschillende stammen van Dagestan nauwer met elkander verbond. Hij nam in 1824 met llasi Molla deel aan den opstand tegen de Russen. Bij de bestorming van de bergvesting Himry (18 October 1831), door de Russen, waarheen zij de wijk genomen hadden, sneuvelden al de verdedigers behalve Sjamyl, die gewond liggen bleef en als door een wonder aam den dood ontsnapte. In 1834 werd hij de leider van de Soefieten. Hij streefde er naar de bergvolken van Dagestan door den band der godsdienstige geestdrift te vereenigen. Inzonderheid stelde het door hem voorgeschreven stelsel van oorlogvoeren de bergvolken in staat in den strijd tegen de Russen te volharden. Toen Generaal GraVbe den 228tel1 Augustus 1839 de bergvesting Achoelgo na wanhopigen tegenstand innam, ontkwam Sjamyl wederom op een onbegrijpelijke wijze. Nu vestigde hij zich in de bergvesting Dargo, bracht de Russen, die haar in 1848 stormenderhand wilden innemen, met groot verlies aan het wijken en deed in 1843 een inval in het aan de Russen onderworpen gebied der Avaren. Ook onder het stadhouderschap van Woronzaw zette hij den strijd voort tegen de geweldige overmacht der Russen. In het volgende jaar veroverde hij Kabarda, maakte zich meester van de vesting Gerghebil en bleef in haar bezit, toen Woromow haar in 1847 belegerde. Toen hij

in 1848 in de vesting Salty was ingesloten, sloeg hij er zich doorheen en ontkwam in het gebergte. Dat gelukte hem evenzeer, toen de vesting Achoelgo na een belegering van elf maanden den 29sten Augustus 1849 eindelijk in handen der Russen viel. Hij aanvaardde in 1857 bij de Terek en de Koeban nogmaals den strijd tegen de Russen, leverde voorspoedige gevechten in Tsjetjna en strekte in de volgende jaren zijne strooptochten uit tot in de Trans-Kaukasische vlakte. Na het uitbreken van den Krimoorlog vatte Sjamyl, door de vijanden van Rusland ondersteund, wederom de wapens op, doch den 6den September 1859 moest hij zich, geheel en al ingesloten op den berg Goenib, aan den Russischen vorst Barjalinskij overgeven. Hij werd eerst naar Petersburg gebracht, zag zich daarna

Kaloega tot verblijfplaats aangewezen, en vertrok vanhier in 1868 naar Kiew en in 1870 naar Mekka. Hij overleed in Maart 1871 te Medina. Een van zijn zonen diende in het Russische leger, een ander, Ghazi Mehmed, begaf zich naar Konstantinopel en voerde in 1877 bevel over een Tsjerkessisch vrijkorps in Armenië.

Sjan is de verzamelnaam van een aantal AchterIndische volksstammen, die tusschen Assam in het W. en de Chineesche provincie Kwangoi in het O. en tusschen Bangkok in het Z. en de Chineesche provincie Yunnan in het N. wonen en in het land zelf verschillende namen dragen en zeer uiteenloopende dialecten spreken. Naar ras en taal zijn zij aan de Chineezen verwant. Men beschouwt hen als het flinkste volk van Achter-Indië. Zij beoefenen vooral de veeteelt; de nijverheid is gerirg. Uit de bosschen brengen zij teakhout, caoutchouc lak en paarden naar de markt te Moulmain. De Sjan zijn Boeddhisten, hoewel de Naga-eeredienst als volksgodsdienst onder hen nog voorkomt.

Sjanghai. Zie Shanghai.

Sjanker (Ulcus mollé). Naast de verharding van de syphilis in zijn eerste stadium, de induratie of harde sjanker (zie Syphilis), staat de veel minder gevaarlijke weeke sjanker, die niets met syphilis te maken heeft, maar op een specifieke geslachtelijke infectie berust. Er ontstaat op de geïnfecteerde plaats van het mannelijk lid na eenige dagen een etterende zweer, die op haar beurt de lymphevaten en de lympheklieren in de liesstreek kan aansteken, maar

daartoe bepaalt zicli ae zieitte, zij tast nooit ais ae syphilis verder het lichaam aan. Meestal infecteert de etter ook de onmiddellijke omgeving van den haard en ontstaan er meerdere zweren. De omgeving der zweren is rood en ontstoken, de zweer zelf scherp omrand en als uitgevreten. Zij woekert voort in de diepte en op de oppervlakte, maar breidt zich toch niet ver uit en gaat na een maand in genezing over met achterlating van een litteeken. Het zuiver houden der zweren door aseptisch verband, vooral door jodoform, doet de ettering vaak snel ophouden. Bij venvaarloozing kunnen de ontstoken deelen, vooral bij zweren vóór aan het lid, gangraeneusch worden en afsterven, maar nog veel gevaarlijker is de s jankervorm, waarbij zich aan de zweer direct gangraen aansluit, zoodat bijv. de eikel in eenige dagen vernietigd wordt. Die vorm gaat vergezeld met hevige koorts en pijnen en zwaar ziektegevoel. Zelfs kan een groot deel van het lid afsterven of de dood van den patiënt door verbloeding of bloedvergiftiging volgen. Hier moet dan ook met den scherpen lepel, met uitbranden en etsen beproefd worden om het proces tot stilstand te brengen. Zeer zeldzaam is de serpigineuze sjanker; het proces kruipt daarbij steeds verder, terwijl de oorspronkelijke plaatsgeneest, zoodat het jaren duren kan en zich over buik of bovenbeenen kan uitbreiden.

Sjansi (= W.-lijk van den berg) is een provincie in N. China, in het N. begrensd door Mongolië, in het O. door de provincie Tsjili, in het Z. O. en Z. door Honan en in het W. door Sjensi en het land der Ordos. Zij is 207 300 v. km. groot met 4800000 inwoners (48 per v. km.). Naar den vorm van den bodem kan men een N.-lijke en een Z.-lijke helft onderscheiden, ongeveer door het 2780 m. hooge gebergte Woetaisjan gescheiden. De Z. helft vormt een deel van het N. Chineesche

Sluiten