Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Atlantischen en Grooten Oceaan bewonen. Bij voorkeur kruipen zij in de ademhalings-openingen van verschillende weekdieren, vooral van Zeesterren, waar zij leven van de kleine zeedieren, welke het binnenstroomende water bevat. Ook heeft men ze wel gevo-den onder den martel van mosselen en oesters, vaak het lichaam bedekt met een laag parelmoer. Op het leven van hunne gastheeren schijnen ze geen bijzonder nadeeligen invloed uit te oefenen.

Slapeloosheid (Agrypnia, Asomnia) is een nerveuse toestand, die op den langen duur zeer kwellend en uitputtend werkt. Zij heeft dikwijls algemeene lusteloosheid, hoofdpijn, spiertrekkingen, benauwende droomen en wakkerschrikken tengevolge en laat vermoeidheid, humeurigheid, prikkelbaarheid, gebrek aan eetlust enz. achter. Treedt zij bij voortduring op, dan veroorzaakt zij levensmoeheid en Mdt niet zelden tot zelfmoord. Slapeloosheid is steeds het gevolg van een toestand van nerveuse prikkelbaarheid, onverschillig of deze van zielkundigen aard, zooals bij hevige gemoedsaandoeningen, geestelijke overwerktheid enz. of van lichamelijken aard, zooals koorts, misbruik van genotmiddelen, hartkloppingen enz. is. Zij is dikwijls een symptoom van neurasthenie en treedt steeds in gevallen van manie op. De behandeling richt zich vooral op vermijding van bovengenoemde oorzaken, dus op geestelijke en lichamelijke rust en op doelmatige regeling van de geestelijke en lichamelijke werkzaamheden. Daarnaast moeten in sommige gevallen narcotica (slaappoeders) helpen, die echter niet dan op voorschrift van een geneeskundige mogen gebruikt worden.

slaperdijk Zie Dijk.

SlateogTaaf heet een door Kraft te Chicago uitgevonden, verbeterde hektograaf, waarvan de massa (specie) bestaat uit een caoutchoucmengsel, dat in plaatvorm, evenals een schoollei (Engelsch slate), in een houten raam wordt gezet. Men zegt, dat de slateograaf duurzamer is dan de hektograaf. Ook kan de plaat op walsen gehecht en zoo gebruikt worden om hout, porselein, bordpapier enz. te bedrukken.

Slatin Pasja, Rudolf, een Oostenrijksch Afrikareiziger, geboren den 278ten Juni 1867 te Ober St. Veit bij Weenen, kwam als koopman naar Egypte, begeleidde in 1875 Heuglin naar Chartoem en deed later een zelfstandige ontdekkingsreis naar den destijds nog geheel onbekenden Djebel Nubar. Daarna vervulde hij in Oostenrijk zijn militaire plichten, maakte den Bosnischen veldtocht mede en vertrok in 1878 opnieuw naar Egypte, waar hij door Gordon tot moedir en 1881 tot gouverneur-generaal van Dar For benoemd werd. In den oorlog tegen de aanhangers van den Mahdi behaalde hij in 27 gevechten de overwinning, maar moest zich ten slotte, na de nederlaag van Hicks Pasja in Juni 1884, overgeven. Hij werd naar Omdoerman gebracht, waar de Mahdi hem,wegens een mislukte poging om te ontvluchten, 10 maanden in ketenen klonk. Na een gevangenschap van bijna 11 jaar gelukte het hem in den nacht van den 10den op den llden Februari 1895 Omdoerman heimelijk te verlaten en deels te voet, deels met kameelen door de woestijn Assoean te bereiken. Te Kaïro benoemde de khedive hem tot pasja. Na zijn vaderland bezocht te hebben, keerde hij in 1879 naar Egypte terug, nam dienst bij den Egyptischen Generalen Staf en was tegenwoordig bij de verove¬

ring van Omdoerman. Door den keizer van Oostenrijk werd hij in 1899 in den ridderstand verheven. Hij schreef „Feuer und Schwert im Sudan"(llde druk, Leipzig, 1906).

Slatlus, Henrieus, een Nederlandsch predikant, geboren op Duivelard, werd in 1618, toen hij predikant te Bleiswijk was, wegens zijn Remonstrantsche gevoelens afgezet en verbannen. Eenigen tijd later vestigde hij zich heimelijk te Gouda, waar hij „De klaerlichtende Fakkel" schreef (1623),een werk, dat hevige aanvallen op prins Maurits bevatte. Hij nam deel aan de mislukte samenzwering van 1623 tegen prins Maurits en vluchtte, nadat deze aan het licht gekomen was. Hij werd echter te Rolde aangehouden en te 's Gravenhage ter dood gebracht. In de gevangenis schreef hij een „Klaer vertoogh", waarin hij zich aan de zijde van zijn tegenstanders schaarde en dat 3 maanden na zijn dood door de Staten in het licht werd gezonden.

Slatoust, een arrondissementshoofdstad in het Russische gouvernement Oefa, ligt 455—587 m. boven den zeespiegel aan den bevaarbaren Ai en aan de spoorlijn Samara—Slatoust—Tsjeljabinsk. Het bezit een gedenkteeken van Alexander 11, beroemde, aan de Kroon behoorende ijzerhamers, gietijzerfabrieken, wapen- en geschutfabrieken en een aanzienlijke jaarmarkt. De plaats telt 20 973 inwoners en is de zetel van het bestuur van het mijndistrikt van Slatoust.

Slavejkov, Petko Rajcov, een Bulgaarsch dichter en staatsman, in 1825 in een dorp van Macedonië geboren, vormde zich zelf, bezocht later inrichtingen voor hooger onderwijs te Boekarest en gaf met veel succes in 1852 twee bundels gedichten in het licht. In 1855 publiceerde hij te St. Petersburg Bulgaarsche vaderlandsche liederen,terwijl hij te Konstantinopel, waar hij van 1857—1872 woonde, het Bulgaarsche spotblad „De doedelzak" en in 1867 het dagblad „Mekedonia" uitgaf. Nadat zijn blad door de Turksche regeering was verboden, was hij tot aan het uitbreken van den Russisch-Turkschen oorlog leeraar aan de nieuw opgerichte Bulgaarsche school te Timowo. In 1880 werd hij tot voorzitter van de Nationale Vergadering te Sofia gekozen. Ook was hij gedurende enkele maanden minister van Onderwijs. Letterkundig was Slavejkov, die veel heeft bijgedragen tot de wedergeboorte van het Bulgaarsche volk, ook werkzaam op het gebied der staatkunde, der geschiedenis en der volkenkunde.

Slaven is de gemeenschappelijke naam van een aantal volkeren van den Indo-Germaanschen stam, die door de overeenstemming in talen verwantschap vertoonen of tot één familie blijken te behooren, n. 1. Russen en Klein-Russen, Bulgaren, Serviërs, Kroaten, Slowenen, Czechen en Slowaken, Sorben, Polen (waarbij de Kassoeben) en het uitgestorven volk der Polaben. Het woord „Slaven" is afgeleid van slowêne (latere vorm: slavêne, slavjane, enkelvoud slowênin enz.), den oorspronkelijken gemeenschappelijken naam bij de Slaven zelf. Bovendien wordt door de Duitsche stammen sedert den oudsten tijd ter aanduiding van de Slaven de uitdrukking Wenden of Winden gebruikt, terwijl men thans den naam „Wenden" tot de Lausitzer Slaven en „Winden" tot de Slowenen beperkt, de Slaven zelf hebben zich echter nooit aldus genoemd. De Russen en Klein-Russen (of Russen in den ruimsten zin, noemt men gewoonlijk Oost-Slaven, de Bulgaren, Serviërs, Kroaten en Slo-

Sluiten