Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Fig. 1.

ken maakte hij zich in Roemenië verdienstelijk. Zijn treurspel „Caspar Graziani" had geen succes. Van zijn hand verscheen in het verzamelwerk „Die Völker Österreich-Ungarns" het deel „Die Rumanen in Ungarn, Liebenbürgen und der Bukowina"(Teschen, 1881).

Slavische talen vormen een afdeeling van den grooten Indo-Germaanschen taalstam. In de Middeleeuwen strekte haar gebied zich naar het W. tot over de Elbe uit. Van alle Indo-Germaansche talen zijn zij het meest met het Lithausch verwant, een nadere verwantschap met andere taalfamilies is tot nu toe niet ontdekt. De oudste Slavische taal is het Kerkslavisch (zie aldaar), dat in de kerkelijke boeken en de liturgie van de Grieksch-Katholieke Slaven nog voortleeft. Een doode Slavische taal is het Polabisch. Tot de levende talen behooren: het Bulgaarsch, het Servisch met het Kroatisch (Chorwatisch), het Sloweensch of Wendisch, het Groot- en Klein-Russisch, het Czechisch met het Slowakisch, het Opper- en Neder-Sorbisch of Wendisch en het Poolsch.HetBulgaarsch, Chorwatisch en Sloweensch noemt men tezamen Zuid-Slavisch, met het Russisch vereenigt men ze tot het Zuid-Oost-Slavisch

(beter Oost-ZuidSlavisch), terwijl het Czechisch, het Slowakisch, het Wendisch en het Poolsch, waartoe ook het Polabisch behoorde, tezamen het West-Slavisch vormen. De taalwetenschap tracht uit al deze groepen een oer-Slavische taal te reconstrueeren. Voor de moderne Slavische talen is het groot aantal sisklanken

en palatale voka-

len, de rijkdom aan casusvormen en werkwoordelijke vormen karakteristiek. De Grieksch-Katholieke volkeren gebruiken meest het Cyrillisch alfabet de overige het Latijnsch, waarbij een aantal teekens moeten dienen om hun bijzondere klanken aan te duiden. Het voornaamste werk over de grammatica van het Slavisch is dat van Miklosich (4 dln., 1852—1875); verder noemen wij de voorlezingen (in het Russisch) van Florinsky (2 dln., 1895—1897) en de vergelijkende grammatica van Vondrak (dl. 1,1906).

Zie over de Slavische letterkunde de hoofdstukken over de letterkunde van de verschillende Slavische volken, alsook Czechische Taal en Letterkunde.

Slavonië is de naam van het O. gedeelte van het thans vereenigde koninkrijk Kroatië-Slavonië. Het wordt in het N., O. en Z. door de Drau, Donau en Sau begrensd en omvat de komitaten Pozega, Syrmië en Veröcze (Virovititz).Zie Kroatië-Slavonië.

Slawjansk, een stad in het Russische gouvernement Charkow, aan den Torez en aan de spoorlijn Losowaja-Nikitowka gelegen,heeft een progymnasium voor meisjes, een stedelijke bank, zoutziederijen en graanhandel en telt 15 644 inwoners; 3 km. van

Slawjansk ligt het gelijknamige sanatorium met zout- en modderbaden.

Slawofielen is de naam van een staatkundige partij in Rusland, die haar ontstaan te danken heeft aan de romantische letterkundige beweging, die omstreeks 1835, het eerst in Moskou, ontstond. Deze beweging werd voornamelijk gekenmerkt door haar sterk nationale neigingen. Een staatkundige beteekenis kregen de Slawofielen vooral bij den Poolschen opstand in 1863, toen Katkow met zijn beroep op het nationale bewustzijn overal weerklank vond. In zekeren zin vallen de beginselen van de Slawofielen samen met die van de Panslavisten (zie Panslavisme).

Slede is de naam van een voertuig met twee evenwijdige, door dwarslijsten verbonden loopers of boomen, die naar voren dikwijls opgebogen zijn en aan de onderzijde glad, meestal met ijzer beslagen en soms ook wel geheel en al van ijzer zijn vervaardigd. In het algemeen dient de slede op sneeuw- of ijsvlakten voor het vervoer van personen en goederen, zij wordt door menschen, paarden, honden of rendieren getrokken, of door menschen geschoven. Vroeger maakte men ook veel gebruik van priksleden, die

Fig. 2.

Slede.

door dengene, die op de slede gezeten was, door middel van stokken werden voortgeduwd. In de 17ae eeuw kwam de arreslede (zie aldaar) in gebruik. Tegenwoordig wordt het sleetjevaren (rodeln) in vele gebergten als sport beoefend, waarbij men verschillende soorten van sleden gebruikt, hoofdzakelijk, die, welke in fig. 1—4 zijn afgebeeld.

Sleeckx, Jan Lambrecht Domien, een Belgisch letterkundige, geboren te Antwerpen den 2den Februari 1818, studeerde aan het athenaeum in zijn geboorteplaats, werd vervolgens klerk bij een notaris, toen onderwijzer aan een lagere school, redigeerde achtereenvolgens: het „Vlaemsche België", „De Vlaemsche Belgen" en „De Vlaemsche stem" te Brussel, verder „De Schelde", den „Lloyd Anversois" en „Le Précurseur" te Antwerpen en werd in 1861 professor aan de Staatsnormaalschool te Lier. Van zijn talrijke geschriften vermelden wij: „Kronyken der straten van Ai twerpen"(3 dln., 1852), „Koben Daeltjrs"(1847), „Dry kleine ware geschiedenissen"(1848), „Volksverhaien"(1848 en later), „In 't schipperskwartier"(1856 en later), „De scheepstimmerlieden"(1870), „Hildegonde, een verhaal van het einde der 15de eeuw"(1872), „Dramata, verzameling

Sluiten