Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grootste westelijke helft van het land. Deze laatste bestaat uitbruinen,lossen zandsteen of uit een mengsel van zand en grint. Hier vindt men vooral heidevelden en venen. Langs de Noordzee heeft men de vruchtbare marschen met een bodem van zeeslib, zich uitstrekkende langs de westzijde van de fraaie heuvelketen vanBlankenese tot aan Hoyer in NoordSleeswijk, met een breedte van 7—22 km. en door dijken ter hoogte van 8 m. tegen overstrooming beveiligd. Bij St. Peter op Eiderstedt en bij Schwobüll, in de nabijheid van Husum, zijn geen dijken noodig. Tegenwoordig is men met nieuwe inpolderingen bezig. Het losse zand, een plaag van Jutland, behoort eveneens tot het alluvium en vormt duinen op de buitenste eilanden, inzonderheid op Sylt. De Oostzee bespoelt Sleeswijk-Holstein over een lengte van 375 km., de kust is steil en men vindt er geen duinen. Lange, smalle boezems dringen tot diep in het land en vormen voortreffelijke havens, zooals de Neustadter haven in de Baai van Lübeck, de Baai van Kiel en Eckernförde, de Schlei, de Baai van Flensburg, die van Apenrade en van Hadersleben. Tusschen deze baaien ligt een reeks van landtongen, zooals de Deensche Wohld tusschen de Baaien van Kiel en Eckernförde, Schwansen tusschen laatstgemelde en de Schlei, Angeln tusschen de Schlei en de Baai van Flensburg, Sundewitt ten noorden van laatstgemelde enz. Naast de landtong Sundewitt ligt het eiland Alsen, door de smalle Alsener Sond van het vaste land gescheiden; ten N. O. van Holstein bevindt zich het eiland Fehmani. De Noordzee bespoelt deze provincie van den mond der Elbe tot aan de grenzen van Jutland. Men heeft in het zuiden van Sleeswijk de landtong Eiderstadt. Ten zuiden daarvan bevinden zich de breede mond van de Eider en de Baai van Meldorf. Ten noorden van Eiderstedt strekken de Sleeswijksche Wadden zich uit met hun talrijke eilanden en ondiepten, zooals Nordstrand, Pellworm en Husum, de Halligen, Föhr, Amrum, Sylt en Röm. Hier en daar heeft men in de Wadden diepe geulen, die eenige scheepvaart toelaten. De Elbe en de Eider zijn de voornaamste rivieren. Eerstgenoemde is grensrivier naar de zijde van Hannover over een lengte van 103 km. en ontvangt uit Sleeswijk-Holstein de Stecknitz, de Bille, de Alster, de Pinnau, de Krückaue en de Stör. De Eider stroomt door het midden van het land. Van de overige rivieren monden de Husemur Aue en de Widaue uit in de Wadden, de Schwentine in de Baai van Kiel en de Trave buiten de provincie in de Baai van Lübeck.Van de kanalen noemen wij: het KeizerWilhelmkanaal of Noord-Oostzeekanaal (1895 geopend), dat gedeeltelijk het 32 km. lange Eiderkanaal volgt, het Elbe-Travekanaal, het Kanaal van Kudensee, tusschen de Holstenaue en de Elbe, de Süderbootfahrt van Garding naar de Eider, en het Kanaal van Tondern naar de Widaue. Er zijn onderscheiden meren in het noord-oosten van Holstein, zooals: het Plöner en het Selenter Meer, het Weseker en Gruber Meer bij Oldenburg enz. In Lauenburg liggen het Ratzeburger Meer en het Schalmeer, in Sleeswijk het Wittenmeer enz. Het klimaat is door den invloed der zee gematigd. De gemiddelde jaarlijksche warmte bedraagt te Kiel 8,1° C. en de jaarlijksche regenhoeveellieid 630—770 mm.

De bevolking bedraagt (1905) 1 504 248 zielen. Denen wonen vooral in Flensburg en Tondern. De voornaamste middelen van bestaan zijn landbouw,

veeteelt, scheepsbouw en scheepvaart. Men verbouwt er veel graan, vooral tarwe; in de omstreken van Altona enHamburg bloeit de tuin - en ooftbouw. Uitmuntende weiden in de marschen geven gelegenheid tot een aanzienlijke veeteelt. In 1906 waren er 185 644 paarden, 990 760 runderen, 206 427 schapen, 1079 313 varkens en (1904) 50 992 geiten. Er bestaat een stoeterij te Traventhal. Het rundvee is voortreffelijk en wordt in aanzienlijke hoeveelheid uitgevoerd. Wild is er schaars, wel vindt men er veel gevogelte, vooral wilde eenden; de visscherij levert meer voordeel in de Oostzee dan in de Noordzee; op de Sleeswijksche Wadden is de oesterteelt van groot belang. Delfstoffen vindt men er niet veel, wel treft men er groote massa's veen, verder gips, steenzout, en potklei aan. Alleen in de steden heeft men groote fabrieken, bijv. ijzergieterijen, machine-, tabaks- en lakenfabrieken, benevens scheepsbouw. De belangrijkste havens zijn Kiel, Flensburg, Altona, Tonning en Rendsburg; een groot deel van het verkeer heeft ook plaats over de steden Hamburg en Lübeck buiten de provincie. In 1905 bezat Sleeswijk-Holstein 784 schepen, waaronder 538 zeilschepen en 246 stoomschepen. In 1904 bedroeg de lengte van de spoorlijnen 1455,6 km. voor het hoofdverkeer en 759 Ion. voor het locale verkeer. Tot de inrichtingen van onderwijs behooren een universiteit te Kiel, 13 gymnasia, een aantal hoogere burgerscholen en andere inrichtingen voor middelbaar onderwijs, een landbouwschool, 6 kweekscholen voor onderwijzers en één voor onderwijzeressen, een marineschool te Kiel, een cadettenschool te Plön, 3 zeevaartscholen, een doofstommeninstituut, een blindeninstituut enz. De provincie zendt naar den Duitschen Rijksdag 10 en naar het Pruisische Parlement 19 afgevaardigden. De Provinciale Staten bestaan (met uitzondering van Lauenburg) uit 20 vertegenwoordigers van het grondbezit, 19 van de steden en 19 van de landgemeenten. Er zijn een Hof van Appèl en 3 arrondissementsrechtbanken.

Geschiedenis. De geschiedenis van het vereenigde Sleeswijk-Holstein begint in 1386, toen Gerhard VI voor goed het graafschap Holstein (zie aldaar) met het hertogdom Sleeswijk (zie aldaar) vereenigde. Na Gerhards dood ontstond er strijd over de voogdij, waarin ook Denemarken,Zweden en Noorwegen ziqh mengden. Wel kwam hertog Adolj VIII in het bezit van Sleeswijk-Holstein, doch na zijn kinderloos overlijden (1459) ontstonden er nieuwe moeilijkheden. In 1460 volgde Chrisliaan I, koning van Denemarken, op, die moest beloven, dat Sleeswijk en Holstein voor altijd ongedeeld, tezamen zouden blijven. Zijn nakomelingen heerschten tot 1863. Toch hadden er af en toe nog verschillende verdeelingen plaats, zoo bijv. in 1481, in de deelen Segeberg en Gottorp, in 1544 en in 1564. Onder Frederik I (1523—1533) en zijn opvolger breidde de Hervorming zich uit en in 1542 kwam er een kerkelijke regeling tot stand. Sedert 1580 heerschten de beide lijnen Holstein-Glückstadt en Holstein-Gottorp, ieder over een gedeelte van Sleeswijk en van Holstein. De vorsten uit het eerste Huis droegen ook de kroon van Denemarken en Noorwegen. Doordat koning Christiaan IV (1588 —1648) zich in den Dertigjarigen Oorlog mengde, had het gebied onder invallen van de keizerlijken en de Zweden te lijden. Ook tusschen de beide regeerende huizen ontstond een langdurige strijd, doordat de koningen van Denemarken er naar streefden de

Sluiten