Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot de kennis van Gelderland"(1862—18B5), „Beschrijving van den watervloed in Gelderland in 1856"(met den hoofd-ingenieur Fijnje, 1866), „Mijn verblijf te Kissingen"(1857), „Oorkondenboek der graafschappen Gelre en Zutfen tot den slag van Woeringen"(1872—1876), „De heilige Ontkommer of Wilgeforthis. Een geschiedkundig onderzoek" en onderscheiden merkwaardige opstellen in tijdschriften, vooral in de „Nederlandsche Jaarboeken van rechtsgeleerdheid en wetgeving", in de „Bijdragen voor Vaderlandsche geschiedenis en Oudheidkunde" in de „Mededeelingen en verslagen der Koninklijke Academie van Wetenschappen", in de „Verhandelingen" dier Academie en in de „Handelingen der Maatschappij van Nederlandsche letterkunde te Leiden".

Sloet, Bartholomeus Willem Anne Eliza, baron lot Oldhuis, een Nederlandsch dichter en staathuishoudkundige, een broeder van den vorige, geboren te Voorst den 14aen October 1808, studeerde te Utrecht in de rechten, woonde met zijn broeder den Tiendaagschen Veldtocht bij en werd na zijn promotie burgemeester van Hengeloo (in Overijsel) en in 1838 lid, later voorzitter van de arrondissementsrechtbank te Zwolle. Sedert 1840 redigeerde hij het „Tijdschrift voor staathuishoudkunde en statistiek" en leverde daarin een reeks belangrijke opstellen. Hij behoorde tot de oprichters van de Overijselsche Maatschappij van Provinciale welvaart en bevorderde het houden van staat- en landhuishoudkundige congressen. Reeds te Hengeloo had hij zich onderscheiden door zijn belangstelling in het openbaar onderwijs en later was hij jaren lang als schoolopziener werkzaam. Geruimen tijd was hij lid van den gemeenteraad te Zwolle, van de Provinciale Staten van Overijsel en van de Tweede Kamer der StatenGeneraal. Hij overleed te Zwolle den 17den Juni 1884. Hij schreef o. a.: „Studentenkoor uit de cantate voor het studentenconcert"(1828), „Antigonus, treurspel"(2de druk, 1866), „Lierzang op het tweede eeuwfeest der Utrechtsche hoogeschool"(bekroond, 1836), „Levensschets van P. O. C. Vorsselman de Heer"(1843), „Uit mijn dichterlijk leven"(1869) en ,,Herfstdraden"(1873), benevens onderscheiden bijdragen in tijdschriften, jaarboekjes, dagbladen enz. Ook leverde hij vertalingen van eenige staathuishoudkundige werken van Droz en Dumont.

Sloet tot Everlo, Dominicus Andreas Willem Hendrik, een Roomsch-Katholiek godgeleerde, werd den 29B,en October 1866 te Denekamp geboren. Hij ontving zijn voorbereidende opleiding aan het gymnasium te Oldenzaal, studeerde wijsbegeerte aan het klein-seminarium te Kuilenburg en theologie aan het groot-seminarium te Rijsenburg. Den 6den April 1879 werd hij tot priester gewijd en was van 1882 tot 1898 rector aan het gesticht der zusters van de Altijddurende Aanbidding te Oldenzaal. Den 13den jiei 1898 Werd hij pastoor te Harderwijk en ging den llden jfej igoij Van daar naar Abcoude. Hij legde zich in 't bizonder toe op uitlegkunde der Heilige Schrift. Hij is lid van het Provinciaal Utrechtsch genootschap van Kunsten en wetenschappen, van de Vereeniging tot het bevorderen van de beoefening der wetenschap onder de Katholieken in Nederland en sinds 1906 voorzitter van de Apologetische vereeniging „Petrus Canisius". In afzonderlijke uitgaven zagen van hem het licht: „God, Christendom en Kerk, apologetisch hand¬

boek" (1890), „Biblia sacra veteris Testamenti V, 1: Het boek Josue" (1897), 2: „Het boek der Rechters" (1904), 3: „Het Hooglied" (1908). Hij is lid der redactie van „De Katholiek".

Slöjd is een Zweedsch woord, waarmee men oorspronkelijk het vervaardigen van allerlei huisraad aanduidde, zonder dat dit eigenlijk gezegde huisindustrie werd. Het wordt dikwijls vertaald door huisvlijt of handenarbeid, ofschoon geen van beide de beteekenis juist weergeeft, terwijl het woord slöjd zelf zijn beteekenis ook heeft gewijzigd, toen het onderwijs zich met de zaak begon te bemoeien. Het eerst geschiedde dit in Denemarken, waar de ritmeester Clauson-Kaas, en in Zweden, waar de koopman Abrahamson het belang van den handenarbeid voor de opvoeding inzagen. Vandaar verbreidde de beweging tengunste van dit nieuwe leervak zich over andere landen. Men kan bij het slöjdon derwijs 3 richtingen onderscheiden, n.1.: 1 slöjd is een afzonderlijk vak van onderwijs, dat geen of weinig verband houdt met de overige leervakken; 2. slöjd is niet zoo zeer een leervak als wel een leervorm, dien men in toepassing brengt bij de leervakken, waar hij diensten kan bewijzen; 3. slöjd is wel een afzonderlijk leervak, doch de oefeningen worden zoo gekozen, dat zij aan andere leervakken dienstbaar worden gemaakt. De derde richting vindt hier te lande de meeste voorstanders. Gewoonlijk bepaalt men zich hier tot het werken met klei, papier en hout, in sommige landen voegt men er wel metaalbewerking, glasbewerking enz. bij.

Kleiarbeid. Men laat de kinderen eerst een van de eenvoudige grondvormen maken, zooals een bal, kubus, cylinder, kegel, balk, pyramide enz, en doet vervolgens bij elk van deze grondvormen voorwerpen aansluiten, die er in hoofdzaak mee overeenkomen, zooals bijv. een sinaasappel of een kers met den bal, een dobbelsteen met den kubus, een naaldenkoker met den cylinder enz. Aan de vervaardiging van de voorwerpen moet een juiste beschouwing voorafgaan, zoodat dit leervak nauw samenhangt met het aanschouwingsonderwijs, Vooral voor de meetkunde is de kleiarbeid een belangrijk hulpmiddel. Verder kan zij goede diensten bewijzen bij het onderwijs in het teekenen, omdat zij een nauwkeurige waarneming van de vormen eischt, en bij dat in de aardrijkskunde, daar men bijv. een dijk, een sluis enz. gemakkelijk door de kinderen zelf kan laten maken.

Kartonarbeid. Gewoonlijk laat men de kinderen eerst werken met gewoon dun papier, daarna met dun karton, vervolgens met dikker karton. De kartonslöjd kan men als een voortzetting van het Fröbelonderwijs beschouwen. Eerst worden van dun papier allerlei figuren gevouwen en geknipt, terwijl men ook mozaïek figuren laat maken en opplakken. Later worden eerst figuren geteekend en dan uitgeknipt. Deze oefeningen kan men als voorbereiding beschouwen voor het werken in karton. Hierbij hebben de leerlingen een kartonmes, een liniaal en een winkelhaak noodig. Eerst vervaardigen zij verschillende platte vlakken, later cirkelvormen en vlakken, begrensd door gebogen lijnen. Intusschen begint men ook met de vervaardiging van voorwerpen, eerst uit één I stuk met opstaande kanten, later van verschil-

Sluiten