Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sleutel bij het insteken de deelen, welke den grendel vasthouden, weg (steeksleutel, steekslot), waarna de verschuiving door een draaiing of door een bijzondere inrichting geschiedt. Bij verschillende sloten zit het mechanisme voor de sluiting in een kast, welke aan de eene zijde van de deur enz. wordt vastgeschroefd; andere sloten worden in een verdieping in het zijvlak van de deur, van het deksel enz. geplaatst, weer andere in een sleuf in de smalle zijde van de deur geschoven. Hangsloten zijn aan alle zijden afgesloten en bezitten een beugel in plaats van een grendel. Het eenvoudigste slot is het Duitsche slot, een loopslot (fig. 2), terwijl het Fransche slot (fig. 3) den grondslag van alle meer gecompliceerde sloten vormt.

Al deze sloten bieden zeer weinig veiligheid aan tegen het openen door vreemden, daar een eenvoudig, uit draad gebogen op een sleutel gelijkend werktuig (looper) den sleutel kan vervangen. Om dit te vermijden, heeft men eerst aan de sleutelgaten en baarden de meest verschillende vormen gegeven enz. Ook deze inrichtingen verhoogen de veiligheid slechts in geringe mate. Zeer moeilijk, ten deele bijna onmogelijk daarentegen, is het openen door onbevoegden zonder den passenden sleutel of bekendheid met verschillende kunstgrepen van de veiligheidssloten, welke in talrijke constructies worden vervaardigd. Daartoe behooren het letterslot, het Chubbslot, het Bramahslot, het steekslot enz.

Hef zeer oude letterslot is een hangslot, dat zonder sleutel wordt gebruikt; het bestaat uit een aantal even groote ringen, welke aan den omtrek van letters en aan de binnenzijde op een plaats tegenover een zekere letter van inkervingen voorzien zijn. Zij worden op een tap tusschen den beugel en het slot gestoken, welke op één i ij, evenwijdig aan de as, evenveel stiften bezit, als ringen aanwezig zijn. Staan nu de ringen alle zoodanig, dat de stiften vóór de inkepingen liggen, dan kan men den tap uittrekken en het sint openen. Den daartoe vereischten stand van de ringen verkrijgt men door de ringen te draaien, totdat een bepaald woord te voorschijn komt. Om af te sluiten schuift men den tap weer in de ringen en brengt deze in een anderen stand. Andere sloten bezitten soortgelijke inrichtingen of verhinderen, dat het deksel voor het sleutelgat wordt weggeschoven, voordat zij in een slechts aan den bezitter bekenden stand zijn gebracht. Veiligheidssloten met electrische inrichtingen zijn zoodanig door Hübner aangegeven en door Busse in Schweidlitz uitgevoerd, dat een in het sleutelgat gestoken sleutel van bijzonderen vorm een stroom sluit, door de werking waarvan een electromagneet een grendel terugtrekt, welke anders door zijn veerkracht den grendel van een mechanisch slot sluit. Bij het sluiten van dit mechanische slot, neemt de electrische afsluitgrendel van zelf den vereischten stand in.

Tut de eenvoudige sloten behooren het veerslot en het loopslot. Het eerste (fig. 1) bestaat uit een op een bos d vastgemaakten hefboom aa, waarvan de arm a in den grendel c grijpt, door de veer b wordt vastgehouden en door den knop of drukker a1 of door een in het vierhoekige gat e van den bos gestoken pen aan beiden zijde kan worden opgeheven. Het tweede (fig. 2) bestaat uit een grendel a, welke door een veer b naar buiten wordt gedrongen. Voor het openen dient een bos

XIV

Fransch slot.

c met een nok d, welke bij het draaien van den bos door een daarin gestoken pen tegen een haak e van den grendel drukt en dezen naar de veer terugdrijft, terwijl de nok f op een tweede veer g rust.

Het Fransche slot (fig. 3) bestaat uit een grendel d, welke door de sluitplaat b wordt uitgeschoven en door middel van een sleuf recht over de aan plaat a bevestigde stift e wordt geleid. De sleutel z steekt met een ronde stift in een gat van plaat a en wordt, wanneer de in de figuur weggelaten voorplaat op den om- Fig. 3.

trek c met schroeven in de gaten 11 van de sluitplaten is vastgemaakt, door het sleutelgat op een tweede plaats onder¬

steund. Op den grendelbevinden zich drie inkepingen 1, 2, 3, in een waarvan een van eenhaakvormig aanhangsel voorziene, om g

draaibare heiboom f door de veer h wordt neergedrukt. De drie inkepingen stemmen overeen met de drie voornaamste standen van den grendel (1 geheel teruggetrokken, 2 half en 3 geheel uitgeschoven). In de teekening staat de grendel in den middelsten stand. Moet de grendel nu naar de een of andere richting bewogen worden, dan moet de hefboom f uit inkeping 2 onder overwinning van de drukking der veer worden geheven. Daartoe dient het met f verbonden stuk p, dat door den sleutel bij draaiing wordt opgeheven, zoodat de grendel vrij komt; de baard stoot daarna tegen r, q of s en bij den tegenwoordigen stand van den 'grendel van de rechter zijde tegen q, als de grendel verder moet worden uitgeschoven. Bij de verdere draaiing van den sleutel en de drukking daarvan tegen q verschuift deze den grendel zóó ver, dat hij met de volgende inkeping (dus hier met 3) juist onder het haakvormig aanhangsel van den hefboom staat, zoodat deze door de drukking van veer h weer naar beneden valt. Wil men den grendel dus geheel uitschuiven of het omgekeerde doen, dan moet men den sleutel twee keer omdraaien (vandaar tweetourige sloten, in tegenstelling met eentourige). Een nokje u verhindert, dat de grendel te ver wordt uitgeschoven.

Tot de meest gebruikelijke veiligheidssloten behoort het in 1818 door Chubb uitgevonden Chubbslot, dat als een volmaking van het Fransche slot kan worden beschouwd. Een ander, zeer groote veiligheid aanbiedend slot is het in 1784 door Bramah uitgevonden Bramah-slot (zie aldaar). Een combinatie van het Bramah-slot met het Chubbslot wordt veel bij brandkasten toegepast. Bij het zeer veilige en eenvoudige Protector-slot van Kromer (fig. 4—9) glijdt de hoofdgrendel B B B door de sluitplaat D D en langs den bout E en wordt bewogen door een draaiing door middel van den

29

Sluiten