Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blijft het onderste deurenpaar goed gesloten, maar in het bovenste paar opent men een schuif, zoodat het water in de kolk op dezelfde hoogte komt als het bovenwater. Daarna haalt men het bovenste deurenpaar open en het vaartuig er binnen, waarna het bovenste deurenpaar en ook de schuif gesloten wordt. Vervolgens opent men de schuif in het onderste deurenpaar, zoodat het water in de kolk daalt en gelijk wordt in hoogte met het benedenwater. Nu haalt men de onderste sluisdeuren open, zoodat het schip het volgende kanaalpand kan bevaren. Het is duidelijk, dat genoemde schuiven tevens dienst kunnen doen om den waterstand in de beide opvolgende panden te regelen. Moet op een enkel punt een grooter verschil in waterhoogte dan 2Vi—3 m. worden overwonnen, dan maakt men veelal gebruik van een gekoppelde schutsluis, d. i. een met twee of meer sluiskamers. Als er schepen van zeer verschillende afmetingen geschut moeten worden, bouwt men wel dubbele schutsluizen. n.L een groote en een kleine schutkolk naast elkander. Reeds in de 13de eeuw zou men in ons land schutsluizen gebruikt hebben.

Keersluizen dienen uitsluitend tot keering van zekere hooge waterstanden. In den regel staan zij open, doch worden gesloten, zoodra ditnoodigis. Is er op het betreffende water scheepvaart, dan moet de keersluis tevens als schutsluis zijn ingericht.

Inlaatsluizen zijn bestemd om van buiten water in te kunnen laten, bijv. in een polder ten tijde van droogte, of voor de waterverversching in groote steden, dan wel om in droge zomers kanalen op voldoend peil te kunnen houden. Ook worden zij wel gebruikt voor de besproeiing van landerijen en heeten alsdan irrigatiesluizen, terwijl zij in ons land eindelijk een groote rol spelen bij de verdediging in tijden van oorlog (militaire inundatiesluizen). Inlaatsluizen zijn in den regel duikersluizen.

Waaiersluizen kunnen bij eiken stand van binnenof buitenwater geopend en gesloten worden, doordat zij voorzien zijn van waaierdeuren. Zulk een waaierdeur bestaat uit een gewone puntdeur, onverbrekelijk verbonden aan een andere deur, den „waaier," die ongeveer */« langer is dan de puntdeur en in dezelfde achterhar is gewerkt, om welke as de beide deuren draaien. De deuren vormen met elkander een hoek van 70 tot 80 . De waaier nu kan, zoo nauw als mogelijk sluitend, zich bewegen in een kwart-cylindervormige kas, waarin door riolen en schuiven in de sluismuren het buitenwater of het binnenwater naar believen achter den waaier kan worden gebracht. Hierdoor is het mogelijk bijv. de deuren te openen, ook als zij met de punt naar het hoogste water zijn gekeerd, daar wegens het grooter oppervlak van den waaier, de druk op dezen grooter is dan op de puntdeur.

Duikersluizen zijn sluizen onder den grond van een dijkslichaam enz. gelegen. Zij bestaan uit één of meer kokers of duikers, waarin sluisdeuren zijn aangebracht. Duikersluizen zijn doorgaans uitwateringssluizen en ook kan men wel zeggen, dat de meeste uitwateringssluizen als duikersluizen zijn aangebracht.

Damsluizen dienen tot afdamming van eenig water en doen alzoo het van boven toestroomend of kunstmatig aangevoerd water stijgen, zoodat

zij tot inundatie voor militaire doeleinden worden gebruikt. Ook vormen zij, in den regel openstaande, op sommige wateren alleen bij bijzondere waterstanden een aisluiting.

Schotbalksluizen zijn voorzien van schotbalken (zie aldaar), welke vóór de sluizen zijn gelegen, meestal aan groote rivieren, om de sluis zelf te beschermen tegen hoog opperwater en ijsgang.

Sluis, een gemeente in Zeeuwsch-Vlaanderen, 2359 H.A. groot met (1909) 2729 inwoners, omvat het stadje Sluis, het dorp St. Anna-ter-Muiden en het gehucht Heille.

Het stadje Sluis, aan de stoomtramlijn van Breskens naar Maldeghem gelegen, bezit een oud aanzienlijk stadhuis uit de 14de eeuw met een hoogen toren, de Hervormde of Mariakerk en de Roomsch- Katholieke St. Janskerk. De oude St. Janskerk, waarin men vele praalgraven aantrof, werd in 1811 door brand vernield, het beroemde in 1385 gebouwde kasteel werd in 1818 gesloopt. De bewoners houden zich bezig met kleinhandel, landbouw, scheepvaart en nijverheid. Sluis ontstond onder den naam Lammensvliet of Lambinsvliet aan het Zwin, den ouden hoofdstroom van noordwestelijk Vlaanderen, en ontving in 1290 stedelijke rechten. Door visscherij, scheepvaart en koophandel nam de plaats snel in bloei toe, zoodat zij in de 15de eeuw tot de belangrijkste plaatsen van Zeeland behoorde. Door het dichtslibben van het Zwin en door den Tachtigjarigen Oorlog ging Sluis in de 16de eeuw hard achteruit, en na den Vrede van Munster, waarbij het Zwin gesloten werd, was de herleving van handel en scheepvaart onmogelijk. In 1880 werd St. Anna-ter-Muiden met Sluis vereenigd. Sluis heeft in de geschiedenis dikwijls een rol gespeeld; in 1572 leed Medina Celi er een nederlaag, in 1587 werd de plaats aan Parma overgegeven, in 1604 veroverde Maurits haar, in 1747 en in 1794 trokken de Franschen, in 1830 de Belgen er binnen.

Sluisfuik. Zie Viaclituigen.

Sluiter, Willem, een Nederlandsch dichter, geboren te Neede den 228ten Maart 1627, studeerde te Utrecht in de godgeleerdheid en werd predikant te Eibergen, waar hij na den dood van zijn echtgenoote het gedicht: „Doods-echtscheiding" en later de „Vreugde- en liefdezangen", alsmede een „Vertaling der Psalmen" en „Het Buitenleven" in het licht gaf. Bij den inval der Munsterschen in 1665 nam hij eenigen tijd de wijk naar Holland en leidde bij zijn terugkeer een eenzame levenswijs, door hem beschreven in zijn „Eenzaem huys- en winterleven". Verder vervaardigde hij zijn „Triumpheerenden Christus", een „Lijkrede" op zich zeiven, en zijn „Lof van Maria". In 1672 moest hij wederom vluchten en ontmoette te Alkmaar Justina, gravin van Nassau, vrijvrouwe van Schagen, aan wie hij de berijmde vertaling van „Jeremia's klaagliederen" opdroeg. Hij nam gedurende een half jaar den predikdienst waar te Deventer en aanvaardde een beroep te Rouveen, doch overleed kort daarna, in December 1673 te Zwolle. De laatste druk van zijn gezamenlijke werken is in 1775 in 2 deelen in het licht verschenen.

Sluiter, Jan Otto, een nakomeling van den voorgaande, geboren te Garderen den 4den Mei 1782,

Sluiten