Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij werd door den koning, den 248ten Januari 1899 tot minister van staat benoemd. Enkele maanden later na den val van het Kabinet Van den Peereboom, trad hij opnieuw op als voorzitter van den ministerraad (6 Augustus 1899) en minister van Financiën en Openbare Werken. Bij open brieven van den 268ten Mei 1900 werd hij tot graaf verheven en den 278ten Mei van gemeld jaar nogmaals als Kamerlid herkozen, door het arrondissement Gent-Eekloo. Hij trad op als minister den 12den April 1907. Sedert den 16den Juli 1908 is hij provinciaal senator voor Oost-Vlaanderen. Als Kamerlid nam De Smet de Naeyer ijverig deel aan de parlementaire werkzaamheid. Hij verdedigde het wetsvoorstel-Dumont tot het heffen van invoerrechten op vleesch en vee en droeg bij tot het tot stand komen van de wetten op werkmanswoningen en op de regeling van vrouwen- en kinderarbeid. Hij stelde het verslag samen over de wet rakende de begeving der academische graden en over de vergunningswet. Als minister bewerkte hij de omzetting van de Belgische Schaal t.h. in 3 t.h., de herziening der wet op de vereenigingen tot onderlingen bijstand en de wijziging van de wet op de Algemeene Spaar- en Lijfrentekas. Hij voerde eene nieuwe en betere regeling van Staatsboekhouding in en ontwierp ernstige fiscale hervormingen. Hij deed overgaan tot eene nieuwe kadastrale indeeling, welke leiden moest tot vermindering van de grondlasten. Door zijne wet op alkoholaccijns droeg hij ruim bij tot vermindering van het verbruik van sterkendrank.

Smethwick is een fabrieksstad in Staffordshire (Engeland), 5 km. W. lijk van Birmingham gelegen. Het bezit verscheiden moderne kerken, een openbare volksbibliotheek, een groot park, glasovens en fabrieken voor ijzer- en staalwaren, chemicaliën en machines en telt (1900) 54 539 inwoners.

Smetius, Johannes, een Nederlandsch oudheidkundige, geboren te Aken den 10den October 1590, studeerde te Harderwijk, Heidelberg en Genève, deed een reis door Frankrijk en Engeland en werd Protestantsch leeraar te Sittard, te Sedan en eindelijk te Nijmegen, waar hij den 308tei1 Mei 1651 overleed. Hij verzamelde een rijken schat van oudheden, in en om Nijmegen opgegraven. Daardoor ontstond een kabinet, dat door zijn zoon uitgebreid en na het overlijden van dezen voor 20 000 gld. aan den keurvorst van de Palts verkocht werd. Van zijn geschriften noemen wij: „Thesaurus antiquus Smetianus" (1658), „Oppidum Batavorum seu Noviomagum" (1644) en „Antiquitates Noviomagenses" (1678).

Smetius, Johannes, een zoon van den vorige, studeerde te Utrecht, Sedan en Saumur in de godgeleerdheid en was achtereenvolgens predikant te Ubbergen, Weert en Nijmegen, waar hij in Mei 1704 overleed. Hij zette de oudheidkundige nasporingen van zijn vader voort en beijverde zich, diens geschriften uit te geven. De „Cronijk van de oude stad der Batavieren", door zijn vader in het Latijn begonnen, is door hem in het Nederlandsch omgewerkt en door In de Belouw (1784) vervolgd.

Smids, Ludolf, een Nederlandsch oudheidkundige en dichter, geboren te Groningen den 18den Juli 1649, studeerde aldaar en te Leiden in de geneeskunde, vestigde zich eerst in zijn geboorteplaats en na zijn overgang tot het Protestantisme te Amsterdam, waar hij den 7den Mei 1720 overleed. Voor het tooneel dichtte hij: „De Deboosjant of de Mostellaria

van Plautus" (1686), „Konradijn" een treurspel (1686), „De geschaakte Cinthia"(1688), „De Cinthia geveinsd enz", „De knorrepot of de gestoorde doctor"(1695), en een paar verjaardagsspelen, samen onder den titel: „Tooneelpoëzij" verschenen. In 1744 en 1759 verscheen zijn „Overgebleven Tooneelpoëzij", eenige andere stukken bevattende; verder schreef hij: „Gallerije ofte proef van zijne dichtoefeningen"(2de druk, 1690,) „Oranjes overtogt naar Engelandt enz."(1689), „Tooneel van Staat der Roomsche Keizeren enz."(1694), „Emblemata heroica of de medalische zinnebeelden der 36 graven van Holland" (1712), en vooral de algemeen bekende: „Schatkamer der Nederlandse oudheden"(3de druk, 1774). Voorts leverde hij nieuwe uitgaven van merkwaardige boekwerken, voerde een uitgebreide briefwissleing over verschillende onderwerpen met de geleerdste mannen van zijn tijd en behoorde tot de redacteuren van de „Boekzaal der Geleerde Wereld".

Smidt, Johann, «en Duitsch staatsman, geboren te Bremen den 6den November 1773, studeerde in de godgeleerdheid, werd professor in de geschiedenis aan het gymnasium illustre en in 1800 lid van den gemeenteraad in zijn geboortestad. Na den slag bij Leipzig handhaafde hij de zelfstandigheid der Hanzesteden, zoodat deze in den Duitsclien Bond werden opgenomen. Op den Bondsdag bestreed bij de staatkunde van Metternich en was in 1820 werkzaam voor de scheepvaart op den Wezer, bevorderde het sluiten van handelsverdragen tusschen Bremen en vreemde mogendheden, evenals de stichting van Bremerhaven. In 1821 werd hij tot burgemeester benoemd, en overleed te Bremen den 7den Mei 1857. Bij het eeuwfeest van zijn geboortedag verschenen zijn redevoeringen als voorzitter.

Smidt, Hendrik Jan, een Nederlandsch rechtsgeleerde, werd in 1831 te Assen geboren. Hij studeerde te Groningen en werd na zijn promotie aldaar tot doctor in de beide rechten benoemd tot ambtenaar ter griffie te Assen en archivaris in de provincie Drente, waarna in 1866 zijn aanstelling volgde tot griffier der Staten in dezelfde provincie. Van 1871—1877 en van 1888—1891 was hij lid der Tweede Kamer. Tweemaal was hij Minister van Justitie, in 1877—1879 tijdens het liberaal ministerie Kappeyne van de Coppello en van 1891—1894 in hetvrijzinnig kabinetVan TienhovenTak van Poortvliet. Van 1881—1885 was hij lid van den Raad van State en van 1885—1888 gouverneur van de kolonie Suriname. Hij schreef: „Volkshuishoudkunde. Een overzigt van de beginselen dier wetenschap" (1858), „Aanteekeningen op de Armenwet" (1860, 3de druk, 1870), „Scheiding van Kerk en Staat en het budget van eeredienst" (1872) met vervolg: „Staatshulp aan de kerk naar art. 168 der Grondwet" (1883), „Middelen tot dekking van 's Rijks uitgaven" (1873), „Onze muntbiljetten" (1882), „De nieuwe Postwet" (1891), „Nabetrachting over de politieke crisis van 1894" (1894), „Levensschets van Mr. J. Kappeyne van de Coppello" (1895), „De aard en de taak der politie" (1898). Zijn voornaamste werk is wel zijne „Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht" in 3 deelen (1882, 2de uitgave 1891) met de daartoe behoorende wetten, welke deel IV en V van het geheele werk vormen (1882, 2<ie druk 1901, 1902).

Smilax behoort tot de familie Smilaccae. Zij

Sluiten