Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Yellowstowe National park en doorstroomt,verscheiden watervallen (American-, Twin-, Shoshonewatervallen enz.) vormend, in reusachtige canons het basaltplateau van Idaho.Zij vormt de grens tusschen Idaho eenerzijds en Oregon en Washington anderzijds en vereenigt zich, in het geheel 1450 km. lang, bij Ainsworth met de Columbia. Slechts in haar benedenloop is zij, bij hoog water, voor stoomschepen bevaarbaar.

Snayers, Peeter, een Vlaamsch schilder van veldslagen, werd geboren te Antwerpen in 1592 en overleed te Brussel omstreeks 1667. Hij was een leerling van Sebastiaan Vranx. In 1613 werd hij meester in het St. Lucasgilde te Antwerpen, na 1628 was hij ingeschreven bij het gilde te Brussel. Hij was hofschilder van aartshertogin Isabella, aartshertog Ferdinand, aartshertog Leopold Wilhelm en don Juan van Oostenrijk. Snayers was de officiëele schilder van veldslagen van het huis Habsburg. Werken van zijn hand bevinden zich hier te lande o. a. in het Rijksmuseum te Amsterdam.

Sneek, een gemeente in de provincie Friesland, 887 H. A. groot met (1909) 12 958 inwoners, wordt in het zuidwesten begrensd door de gemeente Ylst en overigens door de gemeente Wijmbritseradeel. De bodem, die vroeger tot de Middelzee behoorde, bestaat uit klei; in het Z. is deze met zand of veen vermengd. De gemeente wordt gevormd door de stad Sneek en haar rechtsgebied.

Sneek heeft een gunstige ligging aan verschillende vaarten, die de plaats doorsnijden, aan den spoorweg van Leeuwarden naar Stavoren en aan de stoomtramlijnen naar Harlingen en Heerenveen. De plaats bezit een stadhuis, een gemeentehuis voor Wijmbritseradeel, een paleis van Justitie, een waag, een gymnasium, een gemeentelijke hoogere burgerschool, verschillende andere inrichtingen van onderwijs, een concertzaal, een wandelpark, een sociëteit, een weeshuis en kerken voor de Hervormde, de Doopsgezinde, de Gereformeerde, de Roomsch-Katholieke en de Israëlietische gemeente.Van devroegere stadspoorten is alleen de gerestaureerde fraaieWaterpoort overgebleven. In de (Hervormde) Groote of St. Maartenskerk bevindt zich het graf van Lange Pier. De bewoners houden zich bezig met handel en nijverheid.In de omgeving van Sneek wordt veel aan veeteelt en zuivelbereiding gedaan. Het vormt de tweede marktplaats der provincie, vooral voor boter, kaas en vee. In den omtrek heeft men kalkbranderijen, steenfabrieken en scheepsbouw met de aanverwante vakken; ook bezit de plaats een fabriek van Friesch aardewerk en vele goudsmidswinkels. De plaats ontving tusschen 1268—1294 stedelijke rechten.

Sueekermeer is een groot meer in de provincie Friesland, tot de gemeenten Doniawerstal, Wijmbritseradeel en Rauwerderhem behoorende. Door de Houkersloot staat het met Sneek en door de Nieuwe Wetering met de Boorne in verbinding.

Sneep (Chondrostoma nasus). Zie Karpervisschen.

Snees noemt men in het zuiden van Nederland een rist samengebonden voorwerpen. In sommige streken van ons land, bijv. in Noord-Holland, geeft men dezen naam aan een twintigtal voorwerpen, zooals eieren, haringen enz. Verder is het een oude landmaat in Noord-Hollands Noorderkwartier in gebruik. Een snees was 1|10 of 1|11 van een gerse (= '/s

morgen), al naarmate het morgen 600 of 800 roeden groot was.

Sneeuw is een vaste atmosferische neerslag in dikwijls fraaie hexagonale kristalvormen (zie de plaat). De kleur van versche sneeuw is glanzend wit of zwak blauwachtig, Daardoor kaatst zij veel licht terug, verlicht de donkere nachten en werkt bij dag verblindend en prikkelend op de oogen, waardoor vooral in de Poolstreken en op gletschers sneeuwblindheid kan worden veroorzaakt. De sneeuw ver krijgt door stof, roet of vulkanische asch (vooral op IJsland) een grijze kleur, somtijds een roode op hooggebergten, evenals in hethooge N. aan de oppervlakte en in de bovenste lagen. De kleurnuances van de eerste soort blijven ook bij den overgang van sneeuw in firn bestaan en kunnen dienen voor een schatting van den ouderdom der lagen.

Bij vriezend weer vormt de sneeuw een sneeuwlaag, welke op een vlakken bodem zelden een hoogte van 30 cm. bereikt. Hoe losser de sneeuwlaag is, des te beter beschermt zij door de ingesloten lucht, welke de warmte slecht geleidt, het in de aarde rustende zaad tegen bevriezen; men heeft wel eens een temperatuurverschil van 15° C. waargenomen. Men meet de sneeuwlaag, doordat men eerst de hoogte in centimeters bepaalt, daarna met een blikken cylinder een loodrechte zuil tot den grond uitsteekt en smelt. De verhouding tusschen de hoogte van het smeltwater en die van de sneeuwlaag noemt men het watergehalte of de waterwaarde (ook wel specifieke sneeuwdiepte). In den regel is deze verhouding bij versche sneeuw 1: 10, d. w. z. 1 mm. smeltwater wordt geleverd door een sneeuwlaag van 10 mm. Bij waterrijke sneeuw, bijv. bij dooiend weer, is de watenvaarde grooter, eveneens als er regen op een sneeuwlaag valt (tot 8,5 : 10); de sneeuwlaag wordt vaster door drukking van de bovenste lagen op de onderste, door drukking van den wind of door het smelten en weer bevriezen. Men krijgt dan een toestand van de sneeuw, welke dien van ijs nadert (firn).

Bij droog, helder, vriezend weer verliest de sneeuw-* laag aan de oppervlakte door verdamping; de zonnestralen, welke door de sneeuw dringen, verwarmen den aardbodem en kunnen een smelting aan de onderzijde veroorzaken; ook absorbeeren donkere voorwerpen veel warmte en doen de sneeuw daaronder smelten, waardoor zij langzamerhand dieper inzinken. Door het bestrooien met zout vormt zich een moeilijk bevriezende oplossing, welke afvloeit en do hoogte der sneeuwlaag vermindert.De sneeuw kaatst vele warmtestralen terug en smelt daarom door zonnestralen slechts langzaam. Het algemeene smelten der sneeuw treedt dikwijls bij warmen regen op, meestal echter door een dooiwind; in het eerste geval voert zij dikwijls een groote hoeveelheid water naar de rivieren en veroorzaakt daardoor eerder een overstrooming dan in het laatste geval, waarbij het afsmelten langzamer geschiedt en het water meer tijd heeft in den bodem te sijpelen of te verdampen. Op vulkanisch gebied en bij heete bronnen blijft de sneeuw zelden liggen. In sneeuwrijke gebergten worden huizen en boomen door den wind dikwijls vele meters hoog met sneeuw omringd. Op steile hellingen blijft de sneeuw niet liggen; op minder steile gaat zij dikwijls glijden en vormt lawinen. Bosschen op de helling kunnen dikwijls groote massa's sneeuw opnemen en tegenhouden; de boomen breken echter dikwijls onder den sneeuwlast op de takken.

Sluiten