Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

studeerde te Utrecht en promoveerde aldaar in de geneeskunde op een dissertatie, getiteld: „De invloed der zenuwen op de ontsteking proefondervindelijk getoetst". Hij vestigde zich te Utrecht en werd in 1862 eerste geneesheer en docent in de ophthalmologie aan het Nederlandsch gasthuis voor ooglijders aldaar, waarvan hij van 1884—1903 directeur was, en van 1877—1899 hoogleeraar aan de universiteit in die stad. Hij aanvaardde zijn betrekking met een redevoering: „Over de methode der oogheelkundige kliniek". Van zijn geschriften noemen wij: „Onderzoekingen over den invloed van den nervus vagus op de ademhalingsbewegingen"(1854), „Sclerose van den maagwand"(1855) en „Hypertrophie van het rechterhart, gediagnostiseerd als aneurysma aortae"(1855), „Einfluss der Nerven auf die Entzündung"(1855), „De aandoeningen van cornea en conjunctiva"(1860), „Iridesis, Entropionnaad" (1862), „Opotypi ad visum determinandum"(1885, ook in andere talen vertaald), „Het geneeskundig onderzoek omtrent geschiktheid voor den krijgsdienst"(1863, 1864), „De neuro-paralytische oogontsteking, welke zich bij trigeminusparalyse ontwikkelt"(1864), „De geschiedenis der oogziekten in de Rijksgestichten Veenluiizen en Ommerschans"

(1864), „Locale uitbreiding der cholera-epidemie"

(1865), „Losmaken van acuta synechia anterior"

(1866), „Die Richtung der Hauptmeridiane des astigmatischen Auges"(1875), „Die Stokes'sche Linse mit constanter Axe"(1874), „Uber die Durchschneidung der Ciliarnerven bei anhaltender Neuralgie eines amaurotischen Auges"(1874), „Das Phakometer zur Bestimmung von Focus und Centrum der Brillenglaser"(1876), „Gleichzeitige monoculare Prüfung bei den Augen mittelst farbiger Sehproben" (1877), „Sympatische Ophthalmie"(1881), „Progressieve schoolbanken"(1883). Hij overleed den 18en Januari 1908 te Utrecht. Van zijn later verschenen werken noemen wij nog: „Notes on vision and retinal perception. Bowman-lecture"(1896), „Ladétermination quantitive du sens chromatique"(1897). Hij was met Graefe hoofdredacteur van het „Archiv für Augenheilkunde" en bewerkte een gedeelte van diens „Handbuch der gesammten Augenheilkunde", dat ook in het Fransch vertaald werd.

Snellen, Maurits, een Nederlandsch meteoroloog, werd in 1840 te Zeist geboren.Hij studeerde in de wis- en natuurkunde aan de Rijksuniversiteit te Leiden, promoveerde daar in 1865 op een proefschrift, getiteld: „De optische eigenschappen der metalen", en was achtereenvolgens leeraar te Groningen en te Delft. Hij wijdde zich daarna meer in 't bizonder aan de studie der meteorologie en werd assistent bij Prof. Buys Ballot te Utrecht. In 1877 werd hij onderdirecteur van het Meteorologisch Instituut en volgde in 1890 bij diens overlijden Buys Ballot als directeur dier inrichting op. In 1906 legde hij dit ambt neer. Hij maakte zich vooral bekend als leider der Nederlandsche poolexpeditie van 1882/83, waarvan de resultaten, gedeeltelijk door hem bewerkt, in 1910 door Dr. Etcama werden gepubliceerd. Hij overleed te Apeldoorn den 20Bten October 1907. In afzonderlijke uitgaven zagen van hem het licht: „Carl Weyprecht de ontwerper van het internationaal plan tot wetenschappelijk onderzoek der poolstreken" (1881), „De Nederlandsche poolexpeditie 1882/83"(1886), „Beknopt geschiedkundig overzicht van de beoefening der meteorologie" (1897).

Snellen van Vollenhoven, Samuél Con stant, een Nederlandsch entomoloog, geboren Rotterdam den 19den October 1816, studeerde en promoveerde in de wis- en natuurkunde en was eenigen tijd conservator van 's rijks museum te Leiden, doch legde die betrekking neder en vestigde zich te 's Gravenhage. Hij leverde vele bijdragen in „Nieuwenhuis' Woordenboek van kunsten en wetenschappen", de „Algemeene Kunst- en Letterbode" en den „Spectator" en schreef onderscheiden werken over natuurlijke historie, zooals: „De insecten, welke den landbouwer schaden"(1852), „Gelede dieren"(2 dln., 1859—1860), „De insecten, hunne gedaantewisseling en levenswijze"(1879, met 255 afbeeldingen) enz. Hij was voorzitter der Entomologische Vereeniging in Nederland. Hij overleed in 1880 te 's Gravenhage.

Snellius, Eudolf, een Nederlandsch geleerde, geboren te Oudewater den 8slen October 1546, studeerde te Utrecht in de letteren, bezocht buitenlandsche hoogescholen en werd te Marburg belast met het onderwijs in de Grieksche en Latijnsche talen. Na verloop van 14 jaar bezocht hij Italië en legde zich te Pisa toe op de geneeskunde. Hier vertoefde hij 2 jaar, begaf zich naar Rome, keerde naar zijn vaderland terug, gaf te Leiden onderwijs in de voorbereidende wetenschappen, werd er buitengewoon hoogleeraar in de wiskunde, werd er belast met de lessen in het Hebreeuwsch, werd er voorts in 1601 benoemd tot gewoon hoogleeraar in de wijsbegeerte en overleed den 2de° April 1614. Hij schreef o. a.: „Commentaria ad dialecticam Petri Rami", „Ethica, methodo Ramea conscripta", „Explicationes in arithmeticam Rami"(1596), „Annotationes in ethicam, etc. Comelii Valerii"(1596) en „Partitiones physicae".

Snellius, Willebrordus, een Nederlandsch wis- en natuurkundige, een zoon van den vorige, geboren te Leiden in 1591, zou in de rechtsgeleerdheid studeeren, maar gevoelde zich meer aangetrokken door de wiskunde. Reeds op zijn 17ae jaar beproefde hij een der verloren werken van Apollonius Pergaeus: „De sectione determinata" te herstellen en gaf zijn nasporingen onder den titel Apollonius Batavus (1601) uit. In 1610 hield hij voorlezingen over den „Algamest" van Ptolemaeus en deed een reis naar Duitschland, waar hij kennis maakte met Tycho Brahe en Kepler. Voorts bezocht hij Frankrijk en Zwitserland en werd in 1613 buitengewoon en 2 jaar later gewoon hoogleeraar te Leiden. Hij heeft grooten roem verworven door de naar hem genoemde wet van de straalbreking, namelijk door de invoering van de driehoeksmeting bij graadmetingen, een methode, die nog altijd wordt toegepast. In een zijner werken, na zijn dood door Hortensius uitgegeven, wordt het eerst de supplementdriehoek vermeld, en zijn geschrift over de zeevaart, getiteld: „Tiphys Batavus" bevat belangrijke opmerkingen over de loxodromische lijn. Intusschen was hij niet vrij van bijgeloof, zooals blijkt uit zijn „Descriptio cometae anni 1618" (1619). Hij overleed den 309,en October 1626.Van zijn overige geschriften vermelden wij: „De re nummaria"(1613), „Cyclometricus seu de circuli dimensione"(1621) en „De cursu navium et re navali" (1624).

Snellius, Probleem van, heet een door Snellius in 1617 opgelost vraagstuk uit de driehoeksmeting, dat erop neerkomt de plaats van een punt D te bepalen, als de plaats van drie, met D in het-

Sluiten