Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Solon, een Atheensch wetgever, de belangrijkste van de zeven wijzen van Griekenland, geboren omstreeks 640 v. Chr. te Athene, als zoon van Exekestides, uit een oud adellijk geslacht, dat Kodros onder zijn voorvaderen telde, ging reeds vroeg als koopman op reis. Hij maakte zich in het openbare leven daardoor bekend, dat hij zijn medeburgers door een (nog behouden) elegie „Salamis" opwekte, den strijd met Megara om Salamis te hervatten, welke nu ook tot de verovering van het eiland leidde. Op 'deze wijze was voor de ontwikkeling van den handel van Athene ruime baan gemaakt, in het land zelf duurde de ontevredenheid echter voort, waaraan de wetgeving van Drakon te vergeefs een einde had pogen te maken. Ook hier greep Solon met zijn dichtkunst in; hij beklaagde den door het adellijke wanbestuur ontstanen treurigen toestand der boeren en spoorde aan tot bezonnenheid en rech Vaardigheid. Daarop werd hij voor het jaar 594 tot archon met onbeperkte macht gekozen en hief in de eerste plaats de zoogenaamde seisaclitheia, de slavernij voor schuld op, waarmede de boerenstand zeer gebaat werd. Daarna voerde hij, getrouw aan zijn

spreuk „niets te veel, een nieuwe grondwet in. Het verschil tusschen stad en land werd opgeheven, alle vrije bewoners van Attika werden burgers van Athene, echter met verschillende, van de grootte van het vermogen afhankelijke staa tkundige rech ten (timokratié),waarnaar weer de militaire verplich tingen werden geregeld.

Minder diep greep Solon Solon in de organisatie der

(antieke buste te Napcis), overheid en van het bestuur in; de bevoegdheid van den Areopagus werd door hem zelfs uitgebreid. Zijn wetgeving, welke het geheele leven en de geheele werkzaamheid van het volk omvatte, heeft de hinderpalen doen verdwijnen, welke de vrije ontwikkeling van den staat belt tten. Handel en nijverheid begonnen snel te bloeien; vooral echter werd het volk meer er aan gewend, levendig en zelfstandig deel te nemen aan het openbare leven, geestelijke ontwikkeling werd bevorderd en bewuste zedelijkheid en edele humaniteit bij het volk opgewekt. Alle wenschen der partijen kon Solon wel is waar niet vervullen; volgens de meeni-g van den adel heeft hij te veel rechten aan de armen gegeven , terwijl dezen zelf nog meer van hem hadden verwacht. Om zich aan verwijten te onttrekken, begon hij een tienjarige reis, nadat hij het volk had laten zweren, gedurende dien tijd niets aan zijn wetten te veranderen. Hij bezocht Egypte, Cyprus en Lydië, waar hij'zich volgens de overigens ongeloofwaardige sage met koning Croesus over de nietigheid van de mer.schelijke gelukzaligheid moet hebben onderhouden. Na zijn terugkeer moest hij de tirannie van Pisistratos nog beleven, waarvoor hij te vergeefs had gewaarschuwd. Hij overleed spoedig daarna in 559. Solon was een ideale persoor lijkheid, tot op hoogen leeftijd bereid te leeren, echter ook om de gaven van A-phrodite, Dionysos en de muzen

te genieten. De fragmenten van zijn gedichten zijn in „Poetae lyrici graeci" van Bergk verzameld. De aan hem door Diogenes Laertius toegeschreven brieven aan Pisistratos en eenige der zeven wijzen zijn ondergeschoven. Zijn leven is door Plutarchus beschreven.

Solothurn (Fransch: Soleure, Italiaansch: Soletta), een Zwitsersch kanton, grenst in het O. aan Bazel en Aargau, in het Z. en W. aan Bern en heeft met de beide exclaves Mariastein en Klein-Lützel een oppervlakte van 791,5 v. km. Men kan het splitsen in een gedeelte van de Zwitsersche hoogvlakte en in een deel van het Juragebergte. Tot het eerste behoort het Aaredal van Solothurn; naar de zijde van de Birs ligt het „Schwarzbubenland", tusschen Aare en Dünnern het „Gau" (met Olten). In overeenstemming hiermee zijn er twee verschillende gedeelten, wat klimaat en landbouw betreft. De produktieve oppervlakte omvat 97,56 %, waarvan 36,83 % met bosch en 0,8 % met wijngaarden bedekt zijn. Van de (1900) 100 806 inwoners wonen 79 % beneden een hoogte van 500 m., de overige 21 % tusschen 500 en 1000 m. Meer dan de helft der bevolking leeft van den landbouw. Men telde in 1901; 3608 paarden, 37 935 runderen, 15 658 varkens, 1330 schapen, 10166 geiten en 10 554 bijenkorven. De mijnbouw levert van ouds beroemde bouwsteenen (marmer), vuurvaste klei, een weinig mergel en kalk voor cement. De nijverheid heeft zich door het bouwen van het Emmenkanaal vooral om de stad Solothurn (waar uurwerken worden vervaardigd) ontwikkeld en omvat een cellulosefabriek, ijzerwerken, katoen- en kamgarenfabrieken en zijdeindustrie. Van de inrichtingen van onderwijs noemen wij de kantonnale school te Solothurn (gymnasium, industrie- en handelsschool, kweekschool voor onderwijzers), verder een school voor uurwerkmakers. Op Rosegg is een kantonnaal krankzinnigengesticht. Volger s de in 1895 herziene grondwet heeft het kanton een representatief-democratischen regeeringsvorm met een referendum en evenredige vertegenwoordiging. De Kantonnale Raad (Wetgevend lichaam) en de uit vijf leden bestaande Regeeringsraad (Uitvoerend bewind) worden beide voor vier jaar gekozen. De president van den laatste draagt den titel landammann. De begrooting bedroeg voor 1907 aan inkomsten 3064 707 francs, aan uitgaven 3 048 356 francs.

Solothurn, de hoofdstad van het gelijknamige Zwitsersche kanton, breidt zich 426 m. boven den zeespiegel op beide zijden van de Aare uit, als „voorstad" of Nieuw-Solothurn op den linker, als OudSolothurn of eigenlijke stad op den rechter oever en is een kruispunt van spoorwegen. Het telt (1900) 10 095 inwoners en is de zetel van den bisschop van Bazel. Als bezienswaardigheden moeten genoemd worden de Ursuskerk, het mooiste gebouw in hoog-renaissance van Zwitserland (1672—1673 door Pisoni gebouwd), het tuighuis met een kostbare verzameling wapenen, de klokketoren, 4 fonteinen en het in 1900 voltooide museum met een natuur-historische verzameling en een van antieke schilderijen. Van de van 1667—1727 gebouwde vestingwerken is slechts weinig overgebleven. Naar het W. ligt het dorp Selzach, sedert 1893 met een passiespel.

In den tijd van de Romeinen behoorde het gebied ten N. van de Aare met Solodurum tot Raurachië, ten Z. daarvan tot Helvetië. In de 6de eeuw kwam

Sluiten