Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nister van Buitenlandsche Zaken, en overleed in 1837. — Diens neef, vorst Alexei Solykow, maakte zich bekend door zijn reizen in Perzië (1838) en Oost Indië (1841—1846), waarvan hij verslag gaf in zijn „Voyages dans 1' Inde"(3da druk, 1858) en „Voyage en Perse"(1851).

Solutol, een ruw cresol, dat door toevoeging van cresolzouten met water mengbaar is gemaakt, is een donkerbruine, alkalische vloeistof, die 60 % cresol bevat. Het heeft een sterk oplossend vermogen voor vetten en werkt desinfecteerend. Zie verder Cresol.

Solvay, Ernest, een Belgisch industriëel, geboren den 16den April 1838 te Rabeck bij Brussel, studeerde te Luik, werd in 1880 onderdirecteur van een gasfabriek in een Brusselsche voorstad en vond hier het ammoniak-sodaproces uit. In 1863 stichtte hij zijn eerste sodafabriek te Couilletbij Charleroi en later nog andere in Frankrijk, Engeland, Duitschland, Rusland, Oostenrijk-Hongarije en N. Amerika. Het hoofdbestuur van de fabrieken der maatschappij Solvay en C°., die meer dan 60 % van de geheele sodaproductie leveren, bevindt zich te Brussel, alwaar Solvay ook laboratoria voor zuivere en toegepaste scheikunde en proefstations heeft gesticht.Hij richtte ook fabrieken voor de electrolytische bereiding van chloorkalk en talrijke cokesovens voor het winnen van ammoniak op. Van 1893—1900 was hij lid van den Senaat. Te Brussel stichtte hij de Ecole de commerce end eEcole des Sciencespolitiques etsociales.Deze laatste vormt een faculteit van de Brusselsche hoogeschool en bestaat uit drie afdeelingen: de Section des Sciences poliques, de Section des Sciences économiques en de Section des Sciences sociales. De Ecole de commerce heeft ten doel om beginnende industrieelen, kooplieden, enz., nadat zij een handelsschool hebben doorloopen, verder op te leiden. Zij verleent een academischen graad, dien van ingénieur commercial. De beide eerste afdeelingen van de „Ecole des Sciences politiques et sociales" geven de „Travaux de 1' Institut de Phvsioloaie" en „de Sociologie"

uit; grootere werken verschijnen in de „Bibliothèque de 'Institut de Sociologie".

Solveol, een neutrale oplossing van cresol in cresotinzuur natron, wordt bij scrofulose en tuberculose aangewend, alsook als desinfectiemiddel voor handen en instrumenten bij operaties.

Solway Firth is de naam van een golf van de Iersche Zee, gelegen tusschen Engeland en Schotland, die in N. O.lijke richting 53 km. diep het land indringt en rijk is aan zalm en haring. Bij eb kan het bovendeel van de Solway Firth bijna droogvoets doorwaad worden. De vloed komt echter stel en met groote heftigheid op. De rivieren Cocker, Eden, Esk, Annan en Rith stroomen er in uit, terwijl over haar boveneinde, tusschen Bowness en Annan, een spoorwegviaduct ter lengte van 1792 m. loopt.

Somaisin de liederen van de Veda oorspronkelijk een bedwelmend, met melk en meel vermengd plantensap, dat gèdurende eenigen tijd heeft gegist en dat een opwekkende en genezende werking op menschen en goden uitoefent.

Somali (enkelvoud Somal), een tot den Aethiopischen takjder Hamieten behoorende volksstam, wordt geografisch door de Galla begrensd en bewoont den O. uithoek van Afrika tot den Dsjoeb en Tana. Volgens Paulitscke vormen de Galla, die zich met de van de 6de tot de 16dc eeuw geïmmigreerde Arabie¬

ren, misschien ook met Negers vermengden, het hoofdbestanddeel. Een sterke vermenging met Arabieren is door den gebogen neus, het eenigszins lange gezicht, den fijnbesneden mond en het lange kroeshaar niet te loochenen; men vindt echter ook trekken van Negers. De Somali bestaan uit een groot aantal onafhankelijke stammen (Ker of Fakida), onder tamelijk machtelooze aanvoerders, die zich slechts voor krijgstochten vereenigen. Men kan echter drie groote groepen onderscheiden: Rahanoeine (Rahanwihn), tusschen den WebiSjebelienDsjoeb. Hawijah, op den linker oever van den Webi Sjebeli van den Indischen Oceaan tot Ogaden, en Hawijah Hasjija (Adsji) in het N. O. gedeelte, waaronder de Medsjoertin, Gadaboersi en Issa (Eïssa) het belangrijkst zijn. Veracht en verstrooid wonen tusschen hen de Jebir, Achdam, Raini en Tomal, misschien de oerbevolking van het land, volgers Paulitscke verwant met de Afrikaansche dwergvolken. Het aantal Somali wordt op hoogstens l8/« millioen geschat; van den belangrijksten stam (Gadaboersi) schat Paulitschke het aantal op slechts 25 000 zielen. De Somali zijn dweepzieke Mohammedanen. Hun taal behoort tot den Aethiopischen (zuidelijken) tak van den Hamietischen taalstam, bevat echter ook Semietisclie en misschien nog andere elementen en wordt met Arabische karakters geschreven, evenals ook de kennis van het Arabisch onder de Somali tamelijk verbreid is. De als Bedoeïnen levende Somali zijn hartstochtelijk, verraderlijk en wreed; de bewoners der grootere plaatsen daarentegen zijn tamelijk beschaafd, trotsch, vrijheidlievend en in het algemeen vijandig jegens vreemdelingen gezind. Zij leven grootendeels in monogamie. Bij de kinderen van beide geslachten vindt men de besnijdenis, bij de meisjes tot het huwelijk infibulatie. Huwen kan slechts hij, die een man gedood heeft. Het meisje kiest den man,

die echter aan zijn schoonvader voor naar moer Detalen; de vrouwen verrichten allen arbeid. Als kleedingstuk dient een op de Abessiuische sjama gelijkende wollen doek; de vrouwen dragen een broek; sandalen komen dikwijls voor. Wapenen zijn lansen, dolkmessen, ronde schilden, bogen, vergiftigde pijlen, in het Z. ook zwaarden. Het voedsel bestaat grootendeels uit melk en vet, zeldzamer uit vleesch; spiritualiën en varkensvleesch zijn hun, als Mohammedanen, verboden. Als huisdieren worden kameelen, runderen (zeboe), schapen, geiten, paarden en ezels gehouden. De dooden worden zeer vereerd.

Somaliland, een gebied in den O. uithoek van Afrika, ligt tusschen 12° N. Br. tot 2° 30 Z. Br. en 40° 30 -51 ° O. L. v. Gr, en h eef t van de Golf van Aden en den Indischen Oceaan tot het gebied der Galla en Danakil een oppervlakte van ongeveer 700 000 v. km. Het binnenland wordt ingenomen door een gemiddeld 1400 m. hooge hoogvlakte, het landschap Ogaden. Naar het Z. en Z.O. afdalend, loopt langs den N. rand eerst het Haud („Steenloosland"), daarna het Nogal („Steenachtig land"), ten slotte een aan de kust der Golf van Aden evenwijdige keten,welke, in den Ankor 1130, in den Gan Libach 1920 m. hoog, in de smalle kuststrook de zee herhaaldelijk nadert. Niet ver van de O. kust verheft zich een 60—120 m. hooge rotsrand; overigens is de kust vlak en vertoont langs de kust van Benadir duinvorming. Van de rivieren noemen wij slechts den Dsjoeb en den Webi Sjebeli, welke laatste uit vele bronrivieren op de gebergten van Sjoa en Kaffa en i ï Harar ontspringt en

Sluiten